ECLI:NL:CRVB:2007:BB9600

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-7255 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van vaststelling arbeidsongeschiktheid en WAO-uitkering na medische beoordeling

Appellant, die sinds 1987 arbeidsongeschikt is en sinds 1991 in Marokko woont, maakte bezwaar tegen de verlaging van zijn WAO-uitkering. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren en de beperkingen juist waren vastgesteld.

In hoger beroep stelde appellant dat zijn gezondheidssituatie slechter was dan aangenomen door het UWV. De Centrale Raad van Beroep heeft de medische rapporten, waaronder die van artsen in Marokko en van het UWV, zorgvuldig gewogen. De aanvullende verklaringen van appellant's behandelend arts gaven geen wezenlijk ander beeld.

De Raad concludeerde dat de Functionele Mogelijkheden Lijst een juiste weergave vormt van de medische beperkingen en dat er voldoende geschikte functies overblijven om de schatting te baseren. Daarom bevestigde de Raad de eerdere uitspraak en wees het beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

04/7255 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, van 24 november 2004, 03/3606 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Bij brieven van 25 maart 2005, met bijlage, en
17 april 2007, met bijlage, heeft appellant zich nogmaals tot de Raad gewend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brieven van 19 april 2007, met bijlagen, en 2 augustus 2007, met bijlagen, heeft het Uwv een aantal vragen van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant heeft zich op 30 december 1987 ziek gemeld voor zijn werk als bakker. Aan hem is een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sinds 1991 is appellant woonachtig in Marokko.
Bij besluit van 4 december 2002 is aan appellant medegedeeld dat zijn uitkering ingaande 15 mei 2003 werd verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit op bezwaar van 2 juli 2003 is het bezwaar in zoverre gegrond verklaard dat per
15 mei 2003 de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 35 tot 45%.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de medische onderzoeken voldoende en zorgvuldig zijn geweest. Zij zag dan ook geen redenen de vastgestelde beperkingen en het bestreden besluit voor onjuist te houden.
In hoger beroep keert appellant zich tegen deze uitspraak met als voornaamste grief dat zijn gezondheidssituatie slechter is dan door het Uwv aangenomen.
De Raad overweegt als volgt.
Ook de Raad ziet geen aanleiding te veronderstellen dat de gezondheidssituatie van appellant op de datum in geding onjuist is vastgesteld. In Marokko is appellant onderzocht door een algemeen arts, een psychiater en een radioloog. De rapporten van deze onderzoeken zijn door de verzekeringsarts in zijn beoordeling betrokken. Ook de door appellant ingezonden rapporten van zijn behandelend arts zijn bij de beoordeling betrokken. De, in de loop van de procedure, nog nader door appellant ingezonden verklaringen van zijn behandelend arts geven geen wezenlijk ander beeld van de gezondheidstoestand van appellant dan volgt uit de rapportages van de verzekeringsartsen van het Uwv.
De Raad is van oordeel dat de Functionele Mogelijkheden Lijst, zoals deze door het Uwv op 18 april 2007 nader is vastgesteld naar aanleiding van vragen van de Raad, geen onjuiste weergave is van de voor appellant vastgestelde medische beperkingen. Er blijven voldoende, voor appellant medisch geschikte, functies over om de onderhavige schatting op te baseren.
Dit alles leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 december 2007.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) A.C. Palmboom.
IJ221107