ECLI:NL:CRVB:2007:BB9604
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening van de ANW-uitkering met terugwerkende kracht en toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel
Appellante ontving vanaf 1 februari 1999 een inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering op basis van voorlopige gegevens. Later stelde de Sociale verzekeringsbank (Svb) vast dat het inkomen van appellante hoger was dan aanvankelijk aangenomen, waardoor zij te veel uitkering had ontvangen. De Svb herzag de uitkering met terugwerkende kracht over de jaren 2000 tot en met 2003 en vorderde terugbetaling.
Appellante maakte bezwaar tegen deze herzieningen, stellende dat zij niet op de hoogte was van de mogelijkheid van terugwerkende herziening en dat de Svb te lang had gewacht met vaststelling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de Svb terecht kon herzien over 2000 en 2001, maar ten onrechte volledige terugwerkende kracht toepaste over 2002 en 2003 zonder rekening te houden met bijzondere omstandigheden.
De Raad benadrukte het belang van het rechtszekerheidsbeginsel en het beleid van de Svb om niet altijd met volledige terugwerkende kracht te herzien als dit kennelijk onredelijk is. Gezien de gewijzigde uitvoeringspraktijk en de ingrijpende financiële gevolgen voor appellante, moet de Svb een nieuwe beslissing nemen waarbij deze belangen worden meegewogen.
De Raad veroordeelde tevens de Svb tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante. Hiermee wordt het belang van zorgvuldige en tijdige vaststelling van uitkeringen onderstreept, evenals het respecteren van rechtszekerheid en vertrouwen van de burger.
Uitkomst: De herziening van de ANW-uitkering met volledige terugwerkende kracht over 2002 en 2003 wordt vernietigd en de Svb moet een nieuwe beslissing nemen.