ECLI:NL:CRVB:2007:BB9621

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5262 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WWArt. 27 WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging maatregel en terugvordering WW-uitkering wegens niet tijdig verlengen inschrijving werkzoekende

Appellant kreeg vanaf 1 juli 2003 een WW-uitkering naast zijn WAO-uitkering. Het UWV legde hem bij besluit van 17 november 2005 een maatregel op door zijn WW-uitkering met 20% te verlagen over de periode 1 maart tot 21 september 2005, omdat hij zijn inschrijving als werkzoekende bij het CWI niet tijdig had verlengd. Tevens werd een bedrag van € 2.735,79 teruggevorderd.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarna appellant in hoger beroep ging. Hij stelde zich op het standpunt dat hij zich niet bewust was van het verlopen van zijn inschrijving door persoonlijke omstandigheden en dat het UWV hem tijdig had moeten waarschuwen.

De Raad overwoog dat op grond van de WW het niet tijdig verlengen van de inschrijving een verplichting is en dat het UWV terecht een maatregel oplegde, aangezien de termijn van overschrijding langer was dan 14 dagen. Persoonlijke omstandigheden van appellant konden hem niet baten, omdat hij bij inschrijving geïnformeerd was over de verlengdatum en het zijn verantwoordelijkheid was om de inschrijving tijdig te verlengen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de maatregel en terugvordering van de WW-uitkering wegens het niet tijdig verlengen van de inschrijving als werkzoekende.

Uitspraak

06/5262 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 26 juli 2006, 06/70 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 november 2007.
I. PROCESVERLOOP
Door appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Door appellant is een schriftelijke reactie op het verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Aan appellant is met ingang van 1 juli 2003, naast de hem reeds toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, een WW-uitkering toegekend.
2.2. Bij besluit van 17 november 2005 heeft het Uwv bij wijze van maatregel de WW-uitkering van appellant over de periode van 1 maart 2005 tot 21 september 2005 verlaagd met 20%, op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichting zijn registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) tijdig te doen verlengen, en dat hij in die periode niet als werkzoekende was ingeschreven bij het CWI. In het besluit is tevens vermeld dat gedurende de eerste week van die periode sprake is van samenloop met een eerder opgelegde maatregel, in verband waarmee de WW-uitkering van appellant vanaf 1 maart 2005 gedurende één week wordt verlaagd met 30% en aansluitend tot 25 september 2005 met 20%. Tevens is besloten de, als gevolg van die maatregelen, onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 21 februari 2005 tot en met 25 september 2005 ten bedrage van € 2.735,79 van appellant terug te vorderen.
2.3. Bij besluit van 22 december 2005 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 november 2005 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
4. Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat hij zich er destijds niet van bewust was dat hij niet ingeschreven was bij het CWI. Hij wijt dit aan het feit dat zijn administratie door persoonlijke omstandigheden toen niet op orde was. Ook is hij van mening dat het op de weg van het Uwv had gelegen hem er tijdig op te attenderen dat hij zijn inschrijving moest verlengen.
5. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank gevolgd kan worden in haar oordeel over het bestreden besluit.
5.1. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
5.2. Op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW is een werknemer verplicht zich als werkzoekende bij het CWI te laten registreren en die registratie tijdig te doen verlengen. Op grond van artikel 27, derde lid, van de WW weigert het Uwv de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de werknemer deze verplichting niet (behoorlijk) is nagekomen. Deze maatregel moet op grond van artikel 27, vierde lid, van de WW worden afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Over de hoogte van de op te leggen maatregel zijn nadere regels gegeven in het Maatregelenbesluit Uwv. Ingevolge artikel 27, vijfde lid, van de WW kan onder omstandigheden worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing. Dit is uitgewerkt in de bijlage bij het Besluit waarschuwing (Besluit van het voormalige Lisv van 31 maart 1999, Stcrt. 1999, 76) waarin is bepaald dat, bij niet-tijdige verlenging van een registratie bij het CWI wordt afgezien van het opleggen van een maatregel en volstaan met het geven van een waarschuwing, indien de termijn voor verlenging met niet meer dan 14 kalenderdagen is overschreden. Het zesde lid van artikel 27 van Pro de WW bepaalt dat van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
5.3. De Raad constateert dat niet in geschil is dat appellant in de periode in geding niet ingeschreven stond als werkzoekende bij het CWI. Gelet op het in 5.2. omschreven wettelijk kader was het Uwv in beginsel verplicht om bij wijze van maatregel de WW-uitkering geheel of gedeeltelijk te weigeren. Gelet op de duur van de overtreding kon voorts niet worden volstaan met een waarschuwing.
5.4. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat het niet verlengen van de inschrijving bij het CWI hem niet of slechts in verminderde mate kan worden verweten. Het door appellant gestelde feit dat hij door persoonlijke omstandigheden, waaronder een echtscheiding en een verhuizing, niet meer over zijn administratie beschikte en niet meer wist tot welke datum zijn registratie bij het CWI geldig was, kan hem niet baten. Appellant heeft desgevraagd ter zitting van de Raad verklaard destijds, bij inschrijving bij het CWI, te zijn geïnformeerd over de datum 1 maart 2005, waarop hij zijn inschrijving uiterlijk moest verlengen. Nu hem elke vier weken op het zogenoemde werkbriefje door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de vraag werd gesteld of en zo ja, tot welke datum, zijn registratie bij het CWI/Arbeidsbureau nog geldig was, had het op zijn weg gelegen om, voor zover hij dat niet meer wist, daarnaar navraag te doen.
Blijkens de zich in het dossier bevindende werkbriefjes heeft appellant er in plaats daarvan voor gekozen een willekeurige, in de toekomst gelegen datum in te vullen. Anders dan door appellant wordt aangevoerd kan het enkele feit dat hij zijn inschrijving heeft verlengd meteen nadat hem na een huisbezoek op 19 september 2005 was gebleken dat zijn inschrijving bij het CWI was verlopen, niet leiden tot het oordeel van de Raad dat het niet-ingeschreven zijn hem niet of in verminderde mate moet worden verweten. De Raad volgt appellant evenmin in zijn standpunt dat het mede aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is te wijten dat zijn registratie niet tijdig is verlengd. Het is zijn eigen verantwoordelijkheid om de juiste gegevens te verstrekken en om zijn inschrijving bij het CWI tijdig te laten verlengen.
5.5. De Raad is dan ook van oordeel dat het hoger beroep niet kan slagen, en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 november 2007.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M.B. de Gooijer.
BvW
1611