ECLI:NL:CRVB:2007:BC0164

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1600 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZiektewetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing ziekengeld na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid medewerker kinderopvang

Appellant, die sinds 1992 een Wajong-uitkering ontvangt en van mei 2003 tot augustus 2004 als medewerker kinderopvang werkte, meldde zich op 22 december 2004 ziek met klachten als misselijkheid en darmproblemen. Een verzekeringsarts concludeerde op 29 april 2005 dat deze klachten geen belemmering vormden voor arbeid. Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld met ingang van die datum.

In de bezwaarprocedure bevestigde een bezwaarverzekeringsarts dat ondanks uitgebreid onderzoek geen duidelijke oorzaak voor de darmklachten was gevonden en dat appellant met een spastische darm kon werken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, mede omdat appellant geen tegenbewijs leverde.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling dat appellant niet langer ongeschikt is voor het werk als medewerker kinderopvang, dat als maatstaf geldt volgens artikel 19 van Pro de Ziektewet. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot stopzetting van het ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

06/1600 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant]
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 februari 2006, 05/4594 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2007.
Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijder.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontvangt sinds 1992 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Van 12 mei 2003 tot
1 augustus 2004 is appellant werkzaam geweest als medewerker kinderopvang voor 2 x 4 uur per week. Nadien ontving appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.
Op 22 december 2004 heeft appellant zich ziek gemeld wegens misselijkheid, duizeligheid en darmklachten.
Naar aanleiding van deze ziekmelding is appellant op 29 april 2005 gezien door een verzekeringsarts, die na onderzoek concludeerde dat de door appellant ervaren klachten geen belemmering vormden om zijn arbeid te verrichten.
Bij besluit van 5 mei 2005 heeft het Uwv appellant met ingang van 29 april 2005 geen ziekengeld meer toegekend.
In de bezwaarfase is appellant gezien door bezwaarverzekeringsarts M. Keus, die vaststelde dat er voor de darmklachten ondanks uitgebreid onderzoek geen duidelijke oorzaak was gevonden en concludeerde dat appellant ook met een spastische darm werk kon verrichten.
Bij besluit van 4 juli 2005 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 5 mei 2005 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij in het bijzonder betekenis toegekend aan de rapportages van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat van de kant van appellant geen medische informatie in het geding is gebracht op grond waar van zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid van de door beide verzekeringsartsen uitgevoerde medische beoordeling.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens aangedragen, die aanleiding kunnen geven voor twijfel aan de conclusie van de betrokken (bezwaar)verzekeringsarts. Naar het oordeel van de Raad is appellant dan ook terecht met ingang van 29 april 2005 niet langer ongeschikt geacht voor het werk als medewerker kinderopvang, zijnde in dit geval de maatstaf voor de arbeid in de zin van artikel 19 van Pro de Ziektewet.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als grifier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.
JL