ECLI:NL:CRVB:2007:BC0164
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ziekengeld na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid medewerker kinderopvang
Appellant, die sinds 1992 een Wajong-uitkering ontvangt en van mei 2003 tot augustus 2004 als medewerker kinderopvang werkte, meldde zich op 22 december 2004 ziek met klachten als misselijkheid en darmproblemen. Een verzekeringsarts concludeerde op 29 april 2005 dat deze klachten geen belemmering vormden voor arbeid. Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld met ingang van die datum.
In de bezwaarprocedure bevestigde een bezwaarverzekeringsarts dat ondanks uitgebreid onderzoek geen duidelijke oorzaak voor de darmklachten was gevonden en dat appellant met een spastische darm kon werken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, mede omdat appellant geen tegenbewijs leverde.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling dat appellant niet langer ongeschikt is voor het werk als medewerker kinderopvang, dat als maatstaf geldt volgens artikel 19 van Pro de Ziektewet. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot stopzetting van het ziekengeld wordt bevestigd.