ECLI:NL:CRVB:2007:BC0168
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag WAO-uitkering wegens niet vervulde wachttijd van vier weken
Appellante, voormalig parttime kantinemedewerkster, was langdurig arbeidsongeschikt en ontving tot januari 2000 een WAO-uitkering. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek werd deze uitkering ingetrokken. Appellante meldde zich in november 2002 ziek tijdens een werkloosheidsuitkering en vroeg vervroegde WAO-toekenning aan.
Het UWV wees de aanvraag af op grond van artikel 43a van de WAO, omdat de wachttijd van vier weken niet was vervuld. De rechtbank en later de Centrale Raad van Beroep bevestigden deze afwijzing. Uit medisch onderzoek bleek dat appellante niet ongeschikt was voor de eerder geselecteerde functies en dat zij slechts uit zorgvuldigheid een Ziektewetuitkering had ontvangen.
Appellante voerde aan dat zij langer dan vier weken ziekengeld had ontvangen, maar dit werd verworpen omdat zij niet daadwerkelijk ongeschikt was geacht voor de functies. De Raad oordeelde dat de wachttijd niet was vervuld en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een WAO-uitkering wordt afgewezen omdat zij de wettelijke wachttijd van vier weken niet heeft vervuld.