ECLI:NL:CRVB:2007:BC0171
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van intrekking ziekengeld na arbeidsongeschiktheid wegens schouderklachten
Appellant was sinds oktober 1999 arbeidsongeschikt verklaard vanwege klachten aan de linkerschouder en ontving een WAO-uitkering. Deze uitkering werd per 16 oktober 2002 ingetrokken na verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat een geringe bewegingsbeperking vaststelde, waarna appellant in oktober 2004 als autochauffeur ging werken.
In februari 2005 meldde appellant zich ziek met buikklachten en kreeg na een ongeval in maart 2005 opnieuw schouderklachten. Op 23 mei 2005 verklaarde een verzekeringsarts appellant hersteld, waarna het UWV het ziekengeld stopzette. Appellant maakte bezwaar, maar de bezwaarverzekeringsarts zag geen aanleiding tot herziening op basis van medische gegevens, ook niet na een operatie aan de linkerelleboog in mei 2007.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad achtte de medische rapporten en de bevindingen van de verzekeringsartsen betrouwbaar en vond dat appellant in staat was tot schouder- en armsparend werk als autochauffeur. Er was geen reden om het standpunt van het UWV te wijzigen, en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van het ziekengeld per 24 mei 2005 wordt bevestigd.