ECLI:NL:CRVB:2007:BC0308

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1861 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbArt. 8:75 AwbArt. 64 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening betalingsverplichtingen en opzegtermijn WW

Werknemer heeft bij het UWV een aanvraag ingediend om betalingsverplichtingen van zijn werkgever over te nemen op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het UWV stelde de opzegtermijn op zes weken vast, waartegen werknemer geen bezwaar maakte. Later stelde werknemer op basis van een uitspraak van de Raad dat een langere opzegtermijn van toepassing zou zijn en verzocht het UWV om herziening.

Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die het eerdere besluit konden wijzigen, zoals vereist in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verklaarde het beroep van werknemer ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.

De Raad overwoog dat een eerdere rechterlijke uitspraak op zichzelf geen nieuw feit is dat herziening rechtvaardigt en dat het risico van een onjuiste uitleg van een besluit bij de betrokkene blijft. Tevens oordeelde de Raad dat het UWV niet onredelijk heeft gehandeld en dat er geen sprake is van een duuraanspraak. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek van werknemer tot herziening van de opzegtermijn is afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

07/1861 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[werknemer] (hierna: werknemer),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 februari 2007, kenmerk 06/4568 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
werknemer
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 november 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens werknemer heeft mr. M.A. Driest-Wijnholds, werkzaam bij Hout- en Bouwbond CNV te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend het onderzoek ter zitting achterwege te laten.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
1.1. Werknemer heeft bij het Uwv een aanvraag ingediend om zekere betalingsverplichtingen van zijn werkgever op grond van hoofdstuk IV van de WW over te nemen. Het Uwv heeft daarop bij besluit van 23 september 2004 beslist en daarbij de opzegtermijn als bedoeld in artikel 64, aanhef en onder b, van de WW op zes weken gesteld. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt. Werknemer stelt dat uit de uitspraak van de Raad van 27 april 2005, LJN AT4656, RSV 2005/215 en USZ 2005/267, voortvloeit dat voor hem een langere opzegtermijn geldt en heeft het Uwv bij brief van 19 januari 2006 verzocht opnieuw de opzegtermijn vast te stellen. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 27 juli 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv werknemer, te kennen gegeven dat zijn verzoek om terug te komen van het rechtens onaantastbare besluit niet in behandeling wordt genomen.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft tevens het standpunt van werknemer dat het Uwv in strijd met het gelijkheidsbeginsel, de redelijkheid en de billijkheid handelt, verworpen.
3. De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel met betrekking tot het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. Hij heeft daartoe het volgende overwogen.
3.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat werknemer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. De uitspraak van de Raad van 27 april 2005 kan op zichzelf niet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Daarbij moet het immers gaan om feiten en omstandigheden die betrekking hebben op het oorspronkelijke besluit en daarvan is hier geen sprake.
3.3. Werknemer voert tal van redenen aan waarom hij destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van de opzegtermijn op zes weken. Dienaangaande overweegt de Raad dat volgens zijn vaste rechtspraak (zie onder meer zijn uitspraak van 21 maart 2001, LJN AB1691, RSV 2001/151) als uitgangspunt dient dat het enkele feit dat uit een later gedane rechterlijke uitspraak blijkt dat een besluit berust op een onjuiste uitleg of verkeerde toepassing van een wettelijk voorschrift, voor risico blijft van de betrokkene die in dat besluit heeft berust.
3.4. Op grond van het vorenstaande was het Uwv op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb bevoegd het verzoek van werknemer af te wijzen, waarbij de Raad nog opmerkt dat de hier aan de orde zijnde aanspraak van werknemer geen duuraanspraak betreft. In hetgeen door werknemer is gesteld met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel, de redelijkheid en de billijkheid ziet de Raad, evenmin als de rechtbank, grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
4.1. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4.2. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.
BvW
312