ECLI:NL:CRVB:2007:BC0653

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-472 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang na gewijzigde WAO-beslissing

Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de rechtbank Arnhem die het beroep tegen een UWV-besluit inzake de herziening van zijn WAO-uitkering ongegrond verklaarde. Het UWV had de mate van arbeidsongeschiktheid aanvankelijk vastgesteld op 15 tot 25%, maar heeft later een gewijzigd besluit genomen waarbij deze werd gesteld op 80 tot 100%.

Door deze gewijzigde beslissing heeft appellant aangegeven zich hierin te kunnen vinden en heeft de Raad geconcludeerd dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering en in de proceskosten van appellant, waaronder ook de kosten van medische expertises.

De uitspraak benadrukt dat het ontbreken van procesbelang leidt tot niet-ontvankelijkheid, maar dat de Raad wel de vergoeding van gemaakte kosten en wettelijke rente toewijst. Tevens verwijst de Raad naar eerdere jurisprudentie voor de wijze van berekening van de wettelijke rente.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

07/472 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 december 2006, 06/2313 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 23 september 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 17 november 2005 wordt herzien en nader wordt bepaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Bij besluit van 23 maart 2006, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het door appellant tegen voornoemd besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard en appellants verzoek om het Uwv in de schade te veroordelen afgewezen.
Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft de Raad bij schrijven van 2 augustus 2007 medegedeeld een gewijzigd besluit op bezwaar, van gelijke datum, te hebben afgegeven. Bij dit besluit is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 17 november 2005 alsnog gesteld op 80 tot 100%.
Namens appellant is aan de Raad bericht dat appellant zich kan vinden in het gewijzigd besluit op bezwaar van 2 augustus 2007 en is de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering.
De Raad stelt vast dat tussen partijen geen geschil meer bestaat over de kwestie die appellant in hoger beroep aan de Raad ter beoordeling heeft voorgelegd.
Dit betekent dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een beslissing van de Raad op het hoger beroep.
Dit brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Raad veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade in de vorm van vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellant verschuldigde wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in
JB 1995, 314.
De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep, welke met in achtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 644,-.
Met betrekking tot de vordering van in totaal € 739,20 inzake de kosten van de door A.R. Hertroijs uitgebrachte expertises en het door dr. P.H.P. Jansen verstrekte medische advies is de Raad van oordeel dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.383,20 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. Tersteeg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 december 2007.
(get.) H. Bolt.
(get.) C. Tersteeg.
JL