ECLI:NL:CRVB:2007:BC1183
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- N.L.E.M. Bynoe
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij arbeidsverplichtingen WWB
Appellante, die samen met haar echtgenoot bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), was aanvankelijk vrijgesteld van arbeidsverplichtingen. Na een medisch onderzoek legde het College van burgemeester en wethouders van Utrecht bij besluit van 17 oktober 2005 alsnog arbeidsverplichtingen op. Op bezwaar werd dit besluit op 14 februari 2006 herroepen en werd appellante opnieuw vrijgesteld van arbeidsverplichtingen totdat niet-medische belemmeringen waren onderzocht.
De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep tegen het besluit van 14 februari 2006 ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, stellende dat zij op medische gronden ontheven moest worden van arbeidsverplichtingen. De Raad overwoog echter dat appellante reeds ontheven was en dat het aanvechten van het eerdere medisch oordeel geen feitelijke betekenis meer had.
De Raad stelde dat procesbelang ontbreekt indien het nagestreefde resultaat niet daadwerkelijk kan worden bereikt of geen feitelijke betekenis heeft. Gezien de bestaande ontheffing en de mogelijkheid tot het aanvechten van toekomstige besluiten, oordeelde de Raad dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.