ECLI:NL:CRVB:2007:BC1183

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6437 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
  • N.L.E.M. Bynoe
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 1 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij arbeidsverplichtingen WWB

Appellante, die samen met haar echtgenoot bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), was aanvankelijk vrijgesteld van arbeidsverplichtingen. Na een medisch onderzoek legde het College van burgemeester en wethouders van Utrecht bij besluit van 17 oktober 2005 alsnog arbeidsverplichtingen op. Op bezwaar werd dit besluit op 14 februari 2006 herroepen en werd appellante opnieuw vrijgesteld van arbeidsverplichtingen totdat niet-medische belemmeringen waren onderzocht.

De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep tegen het besluit van 14 februari 2006 ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, stellende dat zij op medische gronden ontheven moest worden van arbeidsverplichtingen. De Raad overwoog echter dat appellante reeds ontheven was en dat het aanvechten van het eerdere medisch oordeel geen feitelijke betekenis meer had.

De Raad stelde dat procesbelang ontbreekt indien het nagestreefde resultaat niet daadwerkelijk kan worden bereikt of geen feitelijke betekenis heeft. Gezien de bestaande ontheffing en de mogelijkheid tot het aanvechten van toekomstige besluiten, oordeelde de Raad dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

06/6437 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 oktober 2006, 06/1438 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)
Datum uitspraak: 31 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2007. Voor appellante is verschenen mr. J.E. Braak, kantoorgenoot van mr. Van Doleweerd. Namens het College is verschenen E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontvangt, samen met haar echtgenoot, bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Zij was vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Na medisch onderzoek heeft het College bij besluit van
17 oktober 2005 alsnog de arbeidsverplichtingen aan appellante opgelegd. Bij besluit op bezwaar van 14 februari 2006 is het besluit van 17 oktober 2005 in die zin herroepen dat aan appellante vrijstelling is verleend van de arbeidsverplichtingen totdat door de afdeling Sociale Zaken & Werkgelegenheid (SoZaWe) de niet-medische factoren, die een belemmering vormen voor het verrichten van arbeid, aan de orde zijn gesteld en naar aanleiding daarvan een besluit is genomen over de wijze waarop het re-integratietraject van appellante zal worden ingevuld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
14 februari 2006 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het is vaste rechtspraak van de Raad dat sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.
Appellante beoogt met het hoger beroep dat zij op medische gronden wordt ontheven van haar arbeidsverplichtingen. Als gevolg van het besluit van 14 februari 2006 is appellante hiervan echter al ontheven en ter zitting is gebleken dat deze ontheffing nog steeds van kracht is. Het aanvechten van het medisch oordeel dat aan het besluit van 17 oktober 2005 ten grondslag is gelegd, heeft voor appellante op zichzelf dan ook geen feitelijke betekenis. Mocht het College in de toekomst besluiten aan appellante alsnog arbeidsverplichtingen op te leggen, dan zal het College zich - mede gelet op het tijdsverloop - daarbij niet kunnen baseren op het medisch onderzoek dat voorafgaand aan het besluit van 17 oktober 2005 heeft plaatsgevonden. Appellante heeft alsdan de mogelijkheid de resultaten van een eventueel nieuw medisch onderzoek en de besluitvorming die daarop wordt gebaseerd ten volle aan te vechten. Op grond hiervan is de Raad van oordeel dat er voor appellante geen sprake is van procesbelang en dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en
L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) N.L.E.M. Bynoe.
IJ181207