ECLI:NL:CRVB:2007:BC1496
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering te veel betaalde AOW ondanks vrijspraak strafprocedure
Appellant werd geconfronteerd met een terugvordering van € 6.196,90 aan te veel ontvangen AOW-pensioen over de periode oktober 1998 tot en met november 2000. De Sociale verzekeringsbank (Svb) besloot tot terugvordering en stelde een betalingsregeling vast. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, onder meer met het argument dat hij recht had op een toeslag op grond van overgangsrecht en dat zijn vrijspraak in een strafprocedure gevolgen moest hebben voor de terugvordering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat de herzieningsbesluiten die leidden tot de terugvordering rechtens standhielden en dat het bedrag van de terugvordering niet in geschil was. De vrijspraak in de strafprocedure werd niet relevant geacht voor de bestuursrechtelijke terugvordering, mede omdat strafrechtelijke uitspraken geen beslissende betekenis hebben in bestuursrechtelijke procedures.
Verder oordeelde de Raad dat er geen dringende redenen waren om af te zien van de terugvordering, aangezien dergelijke redenen alleen kunnen bestaan in bijzondere en uitzonderlijke gevallen met onaanvaardbare financiële of sociale consequenties. Ook werd bevestigd dat de aflossingscapaciteit van appellant correct was vastgesteld. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Utrecht werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van te veel betaalde AOW en wijst het hoger beroep af.