ECLI:NL:CRVB:2007:BC1536
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen intrekking nabestaandenuitkering niet tijdig ingediend
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarbij haar nabestaandenuitkering werd ingetrokken per 31 januari 2006. Dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift pas na de wettelijke termijn werd ontvangen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het bezwaarschrift tijdig, namelijk op 23 januari 2006, per post was verzonden. De Raad beoordeelde dit aan de hand van artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat bepaalt dat een bezwaar tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en uiterlijk een week daarna is ontvangen.
De Raad stelde vast dat appellante niet kon aantonen dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn ter post was bezorgd, mede doordat het bezwaarschrift was gefrankeerd met een frankeermachine zonder datumstempel en er geen poststempel op de envelop was. Andere bewijsstukken ontbraken eveneens. De Raad oordeelde dat het risico van het niet kunnen aantonen van tijdige verzending voor rekening van appellante komt. Ook waren er geen omstandigheden die het verzuim rechtvaardigden. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaarschrift niet tijdig was ingediend.