ECLI:NL:CRVB:2007:BC1719

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/5941 WAO + 07/1690 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking WAO-uitkering en weigering ziekengeld wegens onvoldoende medisch onderzoek

Appellante, werkzaam als administratief medewerkster na uitval met rug- en spanningsklachten, kreeg haar WAO-uitkering ingetrokken na een medisch onderzoek door een niet-erkende verzekeringsarts. Het primaire onderzoek en het bezwaaronderzoek waren ontoereikend, mede doordat geen aanvullend onderzoek of informatieopvraging bij behandelaars plaatsvond.

De rechtbank had het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Het bezwaar tegen de weigering van ziekengeld werd ongegrond verklaard. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het medisch onderzoek onvoldoende betrouwbaar was en dat de geselecteerde functies medisch betwijfeld kunnen worden.

Daarom vernietigt de Raad de bestreden besluiten en de aangevallen uitspraak II, bevestigt de vernietiging van het primaire besluit, en beveelt het UWV nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.

Uitkomst: De Raad vernietigt de besluiten tot intrekking van de WAO-uitkering en weigering van ziekengeld wegens onzorgvuldig medisch onderzoek en veroordeelt het UWV in de proceskosten.

Uitspraak

05/5941 WAO en 07/1690 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[Appellante],
tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 25 augustus 2005, 05/1308 (hierna: aangevallen uitspraak I) en van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2007, 05/4617 (hierna: aangevallen uitspraak II)
in de gedingen tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 31 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, in beide zaken hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 21 november 2007. Namens appellante is verschenen mr. Klijnstra. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.
II. OVERWEGINGEN
Appellante was werkzaam als peuterleidster voor 38 uur per week toen zij in juli 1991 uitviel met rugklachten in combinatie met spanningsklachten. Bij het einde van de wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%. Appellante heeft in 1992 hervat bij de eigen werkgever in de functie van administratief medewerkster voor 32 uur per week. Per
23 augustus 1995 is de WAO-uitkering ingetrokken. In januari 1996 heeft appellante zich ziek gemeld met surmenageklachten. Bij het einde van de wachttijd is haar een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Op 14 maart 2003 is appellante in het kader van een heronderzoek medisch onderzocht en is een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Op 29 oktober 2003 heeft de arbeidsdeskundige appellante telefonisch gesproken en een rapport opgesteld. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op minder dan 15% wegens primair geschiktheid voor haar eigen werk en subsidiair passende functies. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 21 november 2003 de WAO-uitkering van appellante per 4 januari 2004 ingetrokken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 1 november 2004 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Sedertdien ontving appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).
Vanuit die situatie heeft appellante zich op 1 september 2004 ziek gemeld met toegenomen klachten. Na medisch onderzoek op 22 maart 2005 is haar bij besluit van
23 maart 2005 per 22 maart 2005 verdere uitkering van ziekengeld geweigerd. Bij besluit van 24 augustus 2005 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2005 ongegrond verklaard.
Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank de medische onderbouwing van bestreden besluit 1 onderschreven. De rechtbank heeft bestreden besluit 1 vernietigd omdat het Uwv was uitgegaan van een onjuiste maatman, de eerder door appellante verrichte arbeid als peuterleidster, maar heeft tevens geoordeeld dat uitgaande van de maatman administratief medewerkster de arbeidskundige onderbouwing voor het overige in stand kan blijven. In overeenstemming met het vorenstaande heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten met bepalingen ter zake van vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
Namens appellante is in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak I aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat het primaire onderzoek is verricht door een arts die niet een verzekeringsarts was, en dat de gebreken in het primaire medische onderzoek in bezwaar niet zijn geheeld. Appellante stelt dat bij het medisch onderzoek ten onrechte eraan is voorbijgegaan dat zij in 2003 beperkt was in haar persoonlijk functioneren vanwege vermoeidheidsklachten en depressieve klachten. Zij was daarvoor onder behandeling bij een psychiater. Appellante meent dat in de FML ten onrechte geen beperkingen ten aanzien van persoonlijk functioneren zijn aangenomen. Gezien haar beperkingen acht appellante de geselecteerde functies niet geschikt. Voorts acht zij zich niet in staat om 32 uur per week te werken. Daarbij komt dat de inhoud van de maatgevende functie niet is onderzocht. De taken in die functie waren zeer divers en de werkdruk was regelmatig hoog. Appellante is daardoor overspannen geraakt. Voor het maatgevende werk was zij derhalve ook niet geschikt.
De Raad stelt vast dat appellante op 13 maart 2003 is onderzocht door de arts
A.J. Jensema. Ter zitting van de Raad is gebleken dat deze arts niet in dienst was van het Uwv, maar was ingehuurd voor het doen van keuringen. De Raad gaat er, mede gezien het verhandelde ter zitting, vanuit dat deze arts geen gekwalificeerd verzekeringsarts was. Onder verwijzing naar zijn de uitspraken van 18 juli 2007, LJN: BA9904, 9905, 9908, 9909 en 9910, is de Raad van oordeel dat aan het onderzoek door deze arts niet dezelfde waarde kan worden toegekend als aan onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts, nu de kwaliteit van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door een arts, niet zijnde een verzekeringsarts, onvoldoende is gewaarborgd. Een dergelijk gebrek kan echter in de bezwaarfase worden hersteld. De Raad deelt het standpunt van appellante dat in haar geval dit gebrek in de bezwaarfase niet is hersteld.
Uit het rapport van de primaire arts blijkt dat deze geen aanleiding heeft gezien om bij de behandelaars van appellante informatie op te vragen. Uit het gezamenlijk rapport van de bezwaarverzekeringsartsen A.D.C. Huijsmans en J.M. Fokke van 30 augustus 2004 blijkt dat het medisch onderzoek in bezwaar beperkt is gebleven tot dossieronderzoek. De bezwaarverzekeringsartsen hebben het niet nodig geacht appellante op te roepen voor onderzoek en hebben geen informatie opgevraagd bij de huisarts van appellante, hoewel een nader eigen onderzoek gezien het navolgende alleszins in de rede lag.
Uit de dossierstukken blijkt dat tussen het primaire medische onderzoek en het primaire besluit van 21 november 2003 ruim acht maanden zijn verstreken en gerekend tot de datum in geding zelfs bijna 10 maanden.
Uit het rapport van arbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers van 29 oktober 2003 blijkt dat deze naar aanleiding van appellantes telefonische mededelingen over haar gezondheidstoestand met haar heeft afgesproken dat de schatting alleen doorgang kon vinden nadat de verzekeringsarts had beoordeeld of de huidige medische situatie geen aanleiding gaf tot een gewijzigd medisch oordeel. Van een nadere medische beoordeling voorafgaand aan het primaire besluit is de Raad niet gebleken.
In haar bezwaarschrift van 18 december 2003 heeft appellante uitvoerig en helder uiteengezet dat haar medische en psychosociale situatie er niet beter op is geworden. De hartklachten die zij sedert 2000 heeft, zijn toegenomen en voor haar psychische klachten is zij in de periode van mei 2003 tot september 2003 onder behandeling geweest van een psychiater. Zij gebruikt nog steeds psychofarmaca en wordt daarbij begeleid door haar huisarts. Vanaf januari 2004 zou zij worden behandeld bij het Jan van Breemen Instituut. Nadere medische informatie heeft appellante daarbij niet overgelegd, maar blijkens het verslag van de hoorzitting van 29 april 2004, waarbij geen van de bezwaarverzekeringsartsen die de heroverweging in bezwaar hebben gedaan aanwezig was, heeft appellante het Uwv verzocht informatie bij haar behandelaars op te vragen. Met dat verzoek is niets gedaan.
De Raad is van oordeel dat het vorenvermelde tot de conclusie leidt dat het medisch onderzoek in de bezwaarfase ontoereikend en onzorgvuldig is geweest en heeft, mede gezien de inhoud van het dossier, ernstige twijfel aan de medische onderbouwing van bestreden besluit 1. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte de medische onderbouwing van het vernietigde bestreden besluit 1 heeft onderschreven. Voorts kan, gezien de gebreken in de medische onderbouwing van de schatting, worden betwijfeld of de voor appellante geduide functies uit medisch oogpunt voor haar geschikt zijn. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 in stand gelaten. Aangevallen uitspraak 1 dient in zoverre te worden vernietigd.
07/1609 ZW
Namens appellante is in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 verwezen naar de in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 ingezonden medische informatie. Appellante meent dat zij op 22 maart 2005 wegens haar klachten en beperkingen haar arbeid van administratief medewerkster niet kon verrichten.
De Raad is van oordeel dat gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van bestreden besluit 1, in het bijzonder ten aanzien van de geselecteerde functies die bij de beoordeling in het kader van de Ziektewet de maatstaf arbeid vormden, is overwogen ook bestreden besluit 2 en aangevallen uitspraak 2, waarbij bestreden besluit 2 in stand is gelaten, dienen te worden vernietigd.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in het beroep tegen bestreden besluit 2 en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 966,- in hoger beroep, in totaal € 1.610,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt aangevallen uitspraak I voor zover daarbij de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand zijn gelaten;
Bevestigt aangevallen uitspraak I voor het overige;
Vernietigt aangevallen uitspraak II;
Verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 1.610,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 208,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) E.M. de Bree.
CVG