ECLI:NL:CRVB:2007:BC1729
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E.Wulffraat-van Dijk
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek tot heroverweging weigering ziekengeld op grond van artikel 4:6 Awb
Appellante, werkzaam als productiemedewerkster, viel in maart 1988 uit wegens rug-, heup- en dysthyme klachten. Na intrekking van haar arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in 1994 en een periode van ziekengeld tot 18 maart 1996, weigerde het UWV een WAO-uitkering per 22 maart 1996 omdat niet aan de vereiste wachttijd was voldaan. Appellante diende vervolgens meerdere verzoeken in om terug te komen op de hersteldverklaring per 18 maart 1996 en om ziekengeld te ontvangen over de periode tot 1 juni 1996.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de hersteldverklaring niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en wees het beroep daarop ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat haar medische situatie niet was gewijzigd en dat zij onterecht als hersteld was beschouwd. Zij overhandigde medische stukken ter onderbouwing, waaronder brieven van huisartsen en psychiaters.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht toepassing gaf aan artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat vereist dat bij een nieuwe aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld. De Raad stelt vast dat het eerdere besluit tot weigering van ziekengeld per 18 maart 1996 in rechte vaststaat, ook al is het schriftelijk besluit niet meer traceerbaar. De medische stukken van appellante werpen geen nieuw licht op haar toestand per 18 maart 1996, zodat geen sprake is van nova. De Raad concludeert dat het UWV niet onredelijk heeft gehandeld en bevestigt het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot afwijzing van het verzoek tot heroverweging wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.