ECLI:NL:CRVB:2007:BC1808
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zorgvuldigheid medisch onderzoek bij weigering WAO-uitkering na kraamvrouwenkoorts
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht die het bezwaar van betrokkene tegen de weigering van een WAO-uitkering gegrond verklaarde vanwege onzorgvuldige voorbereiding en onvoldoende motivering.
Betrokkene, een logopediste, kampte na haar bevalling met kraamvrouwenkoorts en aanhoudende vermoeidheidsklachten. De rechtbank vond dat onvoldoende medisch onderzoek was gedaan, met name nadat een geraadpleegde hoogleraar gynaecologie aangaf geen expert te zijn op het gebied van kraamvrouwenkoorts.
In hoger beroep stelde appellant dat het besluit wel zorgvuldig was voorbereid, gebaseerd op meerdere medische beoordelingen, waaronder die van verzekeringsartsen die geen medische verklaring vonden voor de aanhoudende klachten. De Raad concludeerde dat de medische beoordeling adequaat was en dat de arbeidsongeschiktheid niet op medische gronden was vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarmee de weigering van de WAO-uitkering werd bevestigd.
De uitspraak benadrukt dat het ontbreken van een medische verklaring voor klachten niet automatisch leidt tot toekenning van arbeidsongeschiktheid en dat het oordeel van verzekeringsartsen op basis van beschikbare medische gegevens doorslaggevend is.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAO-uitkering bevestigd.