ECLI:NL:CRVB:2007:BC1961

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1871 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek dagloon zonder nieuwe feiten of omstandigheden

De erven van de betrokkene hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die het beroep ongegrond verklaarde. Het geschil betreft het verzoek aan het UWV om terug te komen op een eerder besluit waarbij het dagloon van de betrokkene werd vastgesteld. Na een volledige inhoudelijke heroverweging heeft het UWV het verzoek afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren.

De rechtbank heeft zich bij haar beoordeling beperkt tot de vraag of er sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden die herziening rechtvaardigen. De erven stelden dat de rechtbank ten onrechte het besluit slechts marginaal had getoetst en dat bij een volledige inhoudelijke heroverweging ook de rechter het besluit integraal zou moeten toetsen. De Raad overweegt dat een bestuursorgaan bevoegd is een verzoek tot herziening volledig te beoordelen, maar dat bij handhaving van het oorspronkelijke besluit de rechter zich moet beperken tot het toetsen aan het criterium van nieuwe feiten of omstandigheden.

De Raad concludeert dat het UWV niet onredelijk heeft gehandeld en dat het besluit niet in strijd is met geschreven of ongeschreven rechtsregels of algemene rechtsbeginselen. Daarom bevestigt de Raad de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot afwijzing van het herzieningsverzoek wordt bevestigd.

Uitspraak

06/1871 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
De erven van [betrokkene] (hierna: erven),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 februari 2006, 05/4696 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
de erven
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens de erven is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2007, waar namens de erven - met voorafgaand schriftelijk bericht - niemand is verschenen, terwijl het Uwv zich heeft doen vertegenwoordigen door M. de Bluts, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.
Na een voorafgaande bezwaar- en beroepsprocedure heeft het Uwv bij besluit van 30 mei 2005 na een volledige inhoudelijke heroverweging het verzoek om terug te komen van het besluit waarbij het dagloon met ingang van 1 juli 1971 is herzien, afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich beperkt tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. In hetgeen namens de erven is aangevoerd heeft de rechtbank geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als vorenbedoeld kunnen vinden en heeft derhalve het beroep ongegrond verklaard.
Hetgeen namens de erven in hoger beroep is aangevoerd komt er op neer dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit slechts marginaal heeft getoetst door zich te beperken tot de beantwoording van de vraag of sprake was van nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Naar de mening van de erven heeft de rechtbank daarbij miskend dat de rechterlijke toetsing met zich brengt dat indien sprake is van een volledige inhoudelijke heroverweging door het bestuursorgaan de rechter het besluit eveneens op al haar aspecten dient te toetsen, althans voor zover aangevochten. Door te oordelen als de rechtbank heeft gedaan is volgens de erven, kort samengevat, sprake van een onevenwichtige en onvolledige rechterlijke toetsing van het besluit.
De Raad overweegt het volgende.
Het thans aan de orde zijnde verzoek strekt ertoe dat het Uwv van een in rechte verbindend besluit terugkomt. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen niet tot een andere uitkomst heeft geleid. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
Ter ondersteuning van het verzoek is aangevoerd dat destijds bij de vaststelling van het dagloon ten onrechte het opgegeven eigen loon als uitgangspunt is genomen in plaats van het loon van een gelijksoortige werknemer. Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Daarvan uitgaande kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn besluit van
30 mei 2005 heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
Uit vorenstaande overwegingen volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 december 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
IJ100108