ECLI:NL:CRVB:2007:BC1964

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1372 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van inachtneming PC-privéregeling bij vaststelling WAO-dagloon

De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad over de vaststelling van zijn WAO-dagloon. Het geschil draait om de vraag of de in de periode juli tot en met september 2003 ingehouden bedragen in verband met een PC-privéregeling meegenomen moeten worden bij de berekening van het dagloon.

Appellant stelde dat zijn brutoloon in die maanden hoger was dan uit de loonstroken bleek, omdat de werkgever de kosten van de PC pas in november 2003 feitelijk in mindering had gebracht. De rechtbank oordeelde dat appellant dit niet aannemelijk had gemaakt en verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep sluit zich hierbij aan, omdat appellant geen verifieerbare gegevens heeft overgelegd die zijn stelling ondersteunen.

De Raad verwijst naar vaste jurisprudentie dat een werknemer die een hoger loon claimt dan uit de loonadministratie blijkt, dit moet aantonen of aannemelijk maken. De verklaring van de werkgever over de administratieve verrekening van de PC-kosten is onvoldoende om het hogere loon in de genoemde maanden te onderbouwen.

Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

07/1372 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle - Lelystad van 24 januari 2007, 06/1785 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 22 november 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Koolhoven, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2007, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.A. van Dijk, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, als zijn raadsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de regelgeving, zoals die luidde ten tijde hier van belang.
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met de volgende, aan de gedingstukken ontleende, gegevens.
Bij besluit van 29 maart 2006 is op verzoek van appellant per 5 oktober 2004 het aan zijn WAO-uitkering ten grondslag liggende dagloon verhoogd naar € 125,49. Bij besluit op bezwaar van 28 juni 2006 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar tegen vorengenoemd besluit ongegrond verklaard. Het Uwv is daarbij – voor zover in hoger beroep in geschil – van oordeel dat bij de berekening van het dagloon de in de periode juli, augustus en september 2003 ingehouden bedragen in verband met een PC-privéregeling ter hoogte van totaal € 2.269,-- op het brutoloon niet in aanmerking dient te worden genomen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Hiertoe heeft de rechtbank – voor zover in hoger beroep nog in geschil – overwogen dat naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep een werknemer die een hoger loon claimt dan uit de loonadministratie van diens werkgever blijkt, dit dient aan te tonen dan wel aannemelijk dient te maken. Uit de door appellant overgelegde verklaring van de werkgever waarin is verklaard dat de aanschaf van de computer in september 2003 heeft plaatsgevonden, maar administratief in de maanden juli tot en met september 2003 is verrekend, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat appellant op een ander moment dan uit de loonstroken blijkt, gebruik heeft gemaakt van de PC-privéregeling en evenmin is deze stelling aannemelijk gemaakt.
Namens appellant is in hoger beroep de juistheid van de hierboven weergegeven uitspraak bestreden.
In hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep naar is voren is gebracht, dat in essentie een herhaling vormt van hetgeen in het geding in eerste aanleg is aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank en maakt deze overwegingen tot de zijne. Ook in hoger beroep is de stelling van appellant dat zijn werkgever eerst in november 2003 feitelijk de kosten van de PC op zijn brutoloon in mindering heeft gebracht en dat hij derhalve in de maanden juli tot en met september 2003 wel een hoger brutoloon heeft ontvangen, niet met verifieerbare gegevens onderbouwd.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en K. Zeilemaker als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A. Badermann.
RH