ECLI:NL:CRVB:2007:BC1970

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-739 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 sociale werknemersverzekeringswettenArt. 8:75a AwbArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens tegemoetkoming UWV

Appellante stelde beroep in tegen besluiten van het UWV waarin correcties en boeten werden opgelegd over de jaren 2002 en 2003 met betrekking tot betalingen aan een werknemer die als verplicht verzekerd werd aangemerkt.

Nadat het UWV het bezwaar van appellante ongegrond verklaarde, trok appellante haar beroep in omdat het UWV bij besluit van 16 oktober 2006 geheel tegemoet was gekomen. De rechtbank veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten op basis van forfaitaire bedragen uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Appellante vorderde in hoger beroep een integrale kostenvergoeding, stellende dat het langdurig handhaven van een onjuist standpunt bijzondere omstandigheden vormde die een volledige vergoeding rechtvaardigden.

De Raad oordeelde dat de door appellante aangevoerde omstandigheden niet als bijzonder konden worden aangemerkt in de zin van artikel 2, derde lid, Bpb. De forfaitaire regeling is bedoeld als tegemoetkoming en niet als volledige schadevergoeding. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en een integrale kostenvergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de proceskostenveroordeling op basis van forfaitaire bedragen en wijst de integrale kostenvergoeding af.

Uitspraak

07/739 CSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 januari 2007, 05/2130 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 22 november 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellante is gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2007, waar voor appellante is verschenen [naam directeur], directeur van appellante, en mr. M.L. Kawka, werkzaam bij BDO CampsObers Accountants & Belastingadviseurs B.V. te Naaldwijk, als haar raadsman. Het Uwv heeft zich – met bericht van verhindering – niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, tussen partijen niet in geschil zijnde, feiten en omstandigheden.
Bij besluiten van 2 augustus 2004 en 4 augustus 2004 heeft het Uwv appellante correctie- respectievelijk boetenota’s opgelegd over de jaren 2002 en 2003 in verband met de door appellante aan de heer [S.] verrichte betalingen. Het Uwv heeft [S.] als verplicht verzekerd aangemerkt ingevolge artikel 3 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten. Bij besluit van 4 februari 2005 heeft het Uwv de door appellante tegen voornoemde besluiten ingediende bezwaren ongegrond verklaard.
Na het instellen van beroep door appellante tegen het besluit van 4 februari 2005 heeft het Uwv bij besluit van 16 oktober 2006 het bezwaar van appellante tegen de besluiten van
2 augustus 2004 en 4 augustus 2004 alsnog gegrond verklaard, deze besluiten alsmede de beslissing op bezwaar van 4 februari 2005 ingetrokken en appellante een proceskostenvergoeding in bezwaar toegekend ten bedrage van € 322,--. Het Uwv heeft beslist dat [S.] niet verplicht verzekerd wordt geacht.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat appellante haar beroep heeft ingetrokken omdat het Uwv bij besluit van 16 oktober 2006 geheel tegemoet is gekomen. De rechtbank heeft termen aanwezig geacht om met toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 322,-- als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat door het Uwv aan appellante het griffierecht wordt vergoed.
Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak waarin het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten op basis van de forfaitaire bedragen genoemd in het Bpb. Appellante vordert in hoger beroep, onder verwijzing naar artikel 2, derde lid, van het Bpb, een integrale kostenveroordeling. Appellante is van mening dat door het innemen van een onjuist standpunt door het Uwv met betrekking tot de verzekeringsplichtige arbeidsrelatie en door dit standpunt meer dan twee jaar te handhaven er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een vergoeding van de werkelijke kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op zijn plaats is.
De Raad overweegt naar aanleiding van het hoger beroep van appellante als volgt.
In artikel 2, derde lid, van het Bpb is inderdaad neergelegd dat in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid van artikel 2 van Pro dit Besluit. De toelichting bij het Bpb vermeldt dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding kan verhogen of verlagen. Benadrukt wordt dat het werkelijk gaat om uitzonderingen en als voorbeeld wordt genoemd een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijke hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd. De omstandigheden die appellante aanvoert kan de Raad niet als bijzondere omstandigheden aanmerken die tot afwijking van de limitatieve en forfaitaire bedragen nopen. Van een uitzonderlijk geval als bedoeld in de toelichting van het Bpb is hier geen sprake. Overigens wordt in de toelichting opgemerkt dat de kostenveroordeling niet is bedoeld als volledige schadevergoeding, maar als tegemoetkoming in de kosten.
Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en K. Zeilemaker als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A. Badermann.
RH
1/11