ECLI:NL:CRVB:2007:BC1987
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap en AOW-verzekering bij verblijf in het buitenland
Appellant, geboren in 1945, volgde van augustus 1965 tot juli 1968 een opleiding bij de Witte Paters in Engeland en België en studeerde vervolgens antropologie in Leuven tot juli 1971. Daarna verbleef hij tot juli 1973 in Opper-Volta voor promotieonderzoek. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat appellant van 1 augustus 1968 tot 16 juli 1973 niet verzekerd was ingevolge de AOW.
Appellant voerde aan dat zijn studie antropologie als informele Witte Paters opleiding moest worden beschouwd en dat deze periode als verzekerd tijdvak moest gelden. De Svb verwees naar beleidsregels die bepalen dat het ingezetenschap eindigt drie jaar na vertrek uit Nederland.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad stelde vast dat het middelpunt van het maatschappelijk leven van appellant na juli 1968 niet meer in Nederland lag, waardoor het ingezetenschap en daarmee de AOW-verzekering eindigde. Ook het beroep op een eerdere brief van de Svb werd afgewezen omdat de situatie van appellant was gewijzigd.
De uitspraak werd gedaan door R.C. Schoemaker en uitgesproken op 27 december 2007. Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Appellant was vanaf juli 1968 niet meer ingezetene van Nederland en derhalve niet verzekerd ingevolge de AOW.