ECLI:NL:CRVB:2007:BC1991

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5691 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening bestuursrechtelijke uitspraak UWV-boetenota 2003

Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een uitspraak van 31 augustus 2006, waarin haar beroep tegen een besluit van het UWV over een boetenota over het jaar 2003 ongegrond werd verklaard.

De Raad bevestigde eerder dat voor de jaren voorafgaand aan 2003 de vereiste rechtsmiddelen niet waren aangewend, waardoor deze beslissingen in rechte vaststaan. Verzoekster stelde dat fouten uit het verleden geen grond mogen zijn voor de boetenota over 2003, maar deze argumenten kwalificeerden niet als nieuwe feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 8:88 Awb Pro.

De Raad oordeelde dat het verzoek feitelijk neerkomt op een hernieuwde behandeling van het hoger beroep, hetgeen niet de bedoeling is van het bijzondere rechtsmiddel herziening. Daarom werd het verzoek afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

06/5691 CSV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
Als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[Verzoekster],
inzake de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 augustus 2006, 06/332,
in het geding tussen verzoekster
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 augustus 2006 met kenmerk 06/332 CSV.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het verzoek is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van
15 november 2007 waar partijen, het Uwv met voorafgaand schriftelijk bericht, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en
redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Bij de uitspraak van 31 augustus 2006 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 december 2005, waarbij het beroep van verzoekster tegen het besluit van het Uwv van 9 maart 2005 ongegrond is verklaard, bevestigd. De Raad heeft daarbij overwogen dat niet is gebleken dat ten aanzien van de beslissingen over de aan 2003 voorafgaande jaren de vereiste rechtsmiddelen van bezwaar en beroep zijn aangewend, zodat die in rechte vaststaan. De Raad heeft daaraan als zijn oordeel toegevoegd dat de gestelde omissies over aan 2003 voorafgaande jaren als posterieur aangevoerd, niet binnen de omvang van het geding vallen en derhalve geen doel kunnen treffen.
Verzoekster heeft aangevoerd dat de uitspraak van 31 augustus 2006 onjuist is omdat de in het verleden gemaakte fouten niet als grondslag mogen dienen voor de op te leggen boetenota over het jaar 2003.
De Raad stelt vast dat hetgeen verzoekster heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb. Het verzoek om herziening houdt in wezen in een verzoek om hernieuwde behandeling van het hoger beroep. Het - bijzondere - rechtsmiddel van herziening is daarvoor echter niet bedoeld.
Gelet op het voorgaande dient het verzoek om herziening te worden afgewezen.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen grond.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 december 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
IJ