ECLI:NL:CRVB:2007:BC2002

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6669 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16a Coördinatiewet Sociale Verzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aansprakelijkheid inlener voor onbetaalde premieschulden uitlener

Appellante is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin zij hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor onbetaalde premieschulden van de uitlener. Zij betwistte de hoogte van de bedragen en voerde aan dat het gebruikte uurtarief te hoog was en dat geen rekening was gehouden met premiemaxima en franchises. Tevens stelde zij dat zij niet verantwoordelijk was voor het voeren van loonadministratie van werknemers die zij niet zelf in dienst had.

De rechtbank had geoordeeld dat de uitgangspunten en berekeningswijzen van het Uwv juist waren en dat appellante onvoldoende feitelijke onderbouwing had geleverd om de aansprakelijkstelling te betwisten. De rechtbank had ook het anoniementarief toegepast voor werknemers waarvan de identiteit niet was vastgesteld.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze beoordeling. De Raad acht de gehanteerde loon/omzetverhouding van 70% door het Uwv redelijk en wijst erop dat het compromis van de fiscus met een lager percentage niet afdoet aan de redelijkheid van het Uwv-besluit. De Raad oordeelt dat het ontbreken van een volledige loonadministratie en het ontbreken van concrete bewijsvoering over illegale werknemers en het uurtarief tot het risico van appellante behoren. Het anoniementarief is terecht toegepast en er is geen aanleiding voor een neerwaartse bijstelling van de naheffingsaanslagen.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; aansprakelijkheid appellante als inlener voor onbetaalde premieschulden bevestigd.

Uitspraak

06/6669 CSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 oktober 2006, 04/3970 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)
Datum uitspraak: 28 december 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft drs. H.Th Kuipers, belastingadviseur bij Ernst & Young belastingadviseurs, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2007. Appellante heeft zich daar doen vertegenwoordigen door mr. J.D. Schouten, eveneens werkzaam bij Ernst & Young belastingadviseurs. Namens het Uwv is als gemachtigde verschenen mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de op die wet berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.
Appellante keert zich in essentie in - hoger - beroep tegen de hoogte van de bedragen waarvoor zij als inlener met toepassing van artikel 16a van de CSV hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor onbetaald gebleven premieschulden van uitlener [naam uitlener].
Bij de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep ongegrond is verklaard, heeft de rechtbank hieromtrent overwogen dat niet gebleken is dat de door het Uwv in een tweetal looncontrolerapporten neergelegde uitgangspunten en berekeningswijzen onjuist zijn.
De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante haar stelling dat het feitelijk bedrag van de aansprakelijkstelling over 1999 tot en met 2001 te hoog is, niet nader heeft geadstrueerd. Het enkel opwerpen van vragen vormt daarbij voor de rechtbank onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat de ambtshalve vaststelling van het verzwegen premieloon onjuist is. De rechtbank heeft in dit kader het risico dat de ambtshalve vaststelling van de loonsom achteraf niet precies overeenkomt met de werkelijk betaalde lonen, wegens de slechte staat en onvolledigheid van de gevoerde loonadministratie bij de premieplichtige gelegd.
Voor dat deel van de werknemers waarvan de identiteit niet is vastgesteld en vastgelegd in de loonadministratie heeft de rechtbank onder die omstandigheden toepassing van het anoniementarief bij berekeningen van het loon voor de sociale verzekeringen gebillijkt.
Daarbij heeft de rechtbank appellante niet gevolgd in haar betoog dat er sprake is geweest van de inzet van niet verzekeringsplichtige nagenoeg uitsluitend illegale arbeidskrachten.
In hoger beroep heeft appellante in het bijzonder benadrukt dat werknemers van [naam inlener] voor een zeer laag uurtarief werden ingezet en dat de fiscus accoord is gegaan met een compromis, waarin is onderkend dat de aansprakelijkstelling van het Uwv, uitgaande van verloning naar rato van 70% van de omzet tot een te hoog bedrag is vastgesteld, mede gezien de ingezette illegale werknemers deels zonder sofinummer. Appellante beklaagt zich er ook over dat geen rekening is gehouden met premiemaxima en een juiste toepassing van franchises. De gehanteerde norm komt appellante zonder voldoende feitelijke onderbouwing voor. Daarentegen meent appellante zelf dat zij niet een tweede maal loonadministratie behoeft te voeren voor werknemers, waarvan zij niet de werkgever/primair premieverschuldigde is.
De Raad overweegt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting het volgende.
De Raad kan gelet op de aard van de uitzendbranche en de beschikbare specifieke looncontrolerapporten alsmede verklaringen van betrokkenen enerzijds en in aanmerking genomen de traceerbare en controleerbare berekeningsmethodiek van het Uwv aan de hand van uit onderzoek verkregen loongegevens en gefactureerde uren in het licht van de vaste rechtspraak van de Raad in situaties als de onderhavige in deze branche anderzijds billijken dat het Uwv te dezen een loon/omzetverhouding gehanteerd heeft van 70% en daaraan ook vastgehouden heeft. Dat de fiscus bij wege van compromis uiteindelijk een lager percentage akkoord bevonden heeft, doet aan de aanvaardbaarheid van eerstbedoeld percentage, waarvoor het Uwv gebruik heeft gemaakt van zijn eigen verantwoordelijkheid en in naar het oordeel van de Raad in redelijkheid gehanteerde oordeelsbevoegdheid niet af. Daarbij is onder de gegeven omstandigheden gebleven binnen de grenzen van zorgvuldige, feitelijk genoegzaam gemotiveerde en gewogen besluitvorming met gebruikmaking van de beschikbare bruikbare gegevens. Van betekenis hierbij is dat er geen gerede aanknopingspunten zijn dat de naheffingsaaanslagen betreffende [naam inlener] daadwerkelijk tot een te hoog bedrag zijn opgelegd dan wel een neerwaartse bijstelling behoefden.
Het door appellante gestelde uurtarief maakt dit niet anders en mist ook in het licht van de onvolkomen administratie van appellante de vereiste concrete stelselmatig te reproduceren bewijsvoering. Dat appellante ter zitting ter zake de verantwoordelijkheid van haar tot het voeren van enige loonadministratie ter zake van de ingeleende werknemers verwerpt, stelt, nog daargelaten wat daarvan overigens zij, het gebrek aan hanteerbaar administratief tegenbewijs te dezen volgens de Raad juist te meer in het licht. Daarenboven mist de stelling dat er bij appellante deels sprake zou zijn geweest van niet van [naam inlener] ingeleende verzekeringsplichtige/premieplichtige illegale werknemers de vereiste onderbouwing, nu het ontbreken van sofinummers hiervoor als zodanig niet als doorslaggevend bewijs kan dienen. In dit verband heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad toepassing van het anoniementarief waar aangewezen niet op onjuiste grond gebillijkt. De Raad heeft overigens gezien ook de looncontrolegegevens niet kunnen vaststellen dat niet op een juiste wijze rekening zou zijn gehouden met premiemaxima en franchises, waarbij opmerking verdient dat ook hier gegeven de onvolkomen administratie enig risico - voorzover aan de orde - aan de zijde van de appellante dient te liggen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad overweegt tot slot dat hij geen termen aanwezig acht voor een poroceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 december 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
RB