ECLI:NL:CRVB:2007:BC2005

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-223 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens overschrijding bezwaartermijn bij WW-uitkering

Appellante maakte bezwaar tegen een WW-uitkeringsbesluit van het UWV waarbij het dagloon was vastgesteld. Het bezwaar werd echter niet tijdig ingediend, omdat de bezwaartermijn aanving op de dag na verzending van het besluit, 9 maart 2006, en het bezwaarschrift pas op 21 april 2006 werd ontvangen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.

Appellante voerde aan dat de aanvang van de bezwaartermijn onduidelijk was, omdat zij zich niet kon herinneren wanneer zij het besluit had ontvangen. Zij stelde dat het UWV de bewijslast droeg om aannemelijk te maken dat het besluit daadwerkelijk op 8 maart 2006 was verzonden. De Raad oordeelde echter dat de bezwaartermijn volgens de Awb begint op de dag na verzending en dat de jurisprudentie over het risico van niet-aangetekende verzending hier niet van toepassing is, omdat appellante de ontvangst niet op geloofwaardige wijze ontkende.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet kan slagen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen gronden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb. De uitspraak werd gedaan door R.C. Schoemaker op 27 december 2007.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

07/223 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 december 2006, 06/1380 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2007, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door I.T. Martens, werkzaam bij Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering te Zoetermeer. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 8 maart 2006 heeft het Uwv aan appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op € 74,11. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief, gedagtekend 19 april 2006, bezwaar gemaakt. De brief is door het Uwv op 21 april 2006 ontvangen. Het poststempel vermeldt de datum ”20 IV 06”.
Bij besluit van 31 mei 2006, hierna het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 8 maart 2006 niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat in hetgeen namens appellante is aangevoerd geen gronden gevonden kunnen worden voor de veronderstelling dat het besluit van 8 maart 2006 niet op die datum verzonden zou zijn.
Appellante betwist in hoger beroep de juistheid van het oordeel van de rechtbank, waarbij zij aanvoert dat de rechtbank ten onrechte er van uitgaat dat het niet aangetekend verzonden besluit van 8 maart 2006 op diezelfde datum is verzonden. Naar de mening van appellante is de aanvang van de wettelijke bezwaartermijn in deze ongewis waardoor eveneens de in het besluit van 8 maart 2006 opgenomen einde van die termijn onduidelijk is.
Het Uwv heeft zich in verweer gesteld achter het oordeel van de rechtbank.
De Raad overweegt als volgt.
Appellante stelt in hoger beroep ter discussie het oordeel van de rechtbank over het moment waarop de bezwaartermijn is aangevangen. De rechtbank is er, naar het oordeel van appellante, ten onrechte van uitgegaan dat die termijn is aangevangen op 9 maart 2006 .
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat appellante met betrekking tot de vraag waanneer de bezwaartermijn voor haar is aangevangen van mening is dat nu zij zich niet kan herinneren op welke datum zij het besluit heeft ontvangen - in welk kader zij stelt dat zij zeker weet dat het niet op 9 of 10 maart 2006 is geweest - op het Uwv de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat het besluit daadwerkelijk op 8 maart 2006 is verzonden. Indien de verzenddatum niet genoegzaam aannemelijk kan worden gemaakt dient aan appellant het voordeel van de twijfel te worden gegund. De Raad kan zich niet stellen achter het standpunt van appellante en hij overweegt dienaangaande als volgt.
De Raad is van oordeel dat uit artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 3:41, eerste lid, van die wet volgt dat de bezwaartermijn in het voorliggende geval aanvangt met ingang van de dag na de dag van toezending van het besluit van 8 maart 2006, dat wil zeggen met ingang van 9 maart 2006. De laatste dag van de bezwaartermijn is, gelet op artikel 6:7 van Pro de Awb, 19 april 2006. Het bezwaarschrift is derhalve niet tijdig ingediend.
De Raad acht in het voorliggende geval niet zijn jurisprudentie van toepassing, welke inhoudt dat het risico van het niet-aangetekend verzenden van een poststuk in beginsel voor rekening komt van de afzender. Die jurisprudentie is van toepassing in de gevallen waarin de betrokkene op geloofwaardige wijze de tijdige ontvangst van een besluit ontkent, hetgeen zich in dit geval niet voordoet. Appellante erkent dat zij het besluit van 8 maart 2006 heeft ontvangen, maar weet niet meer precies wanneer zij het besluit heeft ontvangen. Zo hierin al moet worden gelezen dat appellante de ontvangst van het besluit op 9 maart 2006 ontkent, is de Raad van oordeel dat het hier geen geloofwaardige wijze van ontkenning betreft.
Uit vorenstaande overwegingen volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 december 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
IJ100108