Art. 2 AKWArt. 3 lid 1 AKWArt. 6 lid 1 AKWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken verzekering AKW door onvoldoende maatschappelijke binding met Nederland
Appellante verzocht kinderbijslag, maar de Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat zij niet als verzekerde voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) werd aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De kernvraag was of appellante op het eerste kwartaal van 2004 als ingezetene kon worden beschouwd, hetgeen bepalend is voor de verzekering onder de AKW. De Raad overwoog dat de woonplaats volgens de AKW wordt bepaald aan de hand van sociale, economische en juridische bindingen met Nederland. Hoewel appellante de Nederlandse nationaliteit bezit en afwisselend in Nederland en Spanje verblijft, is haar economische en sociale binding met Nederland onvoldoende. Zij heeft geen zelfstandige woonruimte in Nederland en haar zoon woont en gaat naar school in Spanje.
Appellante deed een beroep op jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU), maar deze gronden faalden omdat de Wet BEU alleen van toepassing is indien men verzekerd is voor de AKW. De Raad concludeerde dat het middelpunt van het maatschappelijk leven van appellante niet in Nederland ligt, waardoor zij niet verzekerd is en geen recht heeft op kinderbijslag. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op kinderbijslag omdat zij niet verzekerd is voor de AKW.
Uitspraak
06/7043 AKW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 november 2006, 06/5856 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 27 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft H.L.M. Hermans hoger beroep ingesteld aangevuld bij schrijven van 12 oktober 2007.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 15 november 2007, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door haar vader H.L.M. Hermans. De Svb heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 9 maart 2005 heeft de Svb appellante medegedeeld dat zij met ingang van het eerste kwartaal 2004 geen recht op kinderbijslag heeft, omdat zij niet als verzekerde ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) wordt aangemerkt. Het tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van 17 juni 2005 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de Svb zich bij het besluit op bezwaar van 17 juni 2005 terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante met ingang van het eerste kwartaal van 2004 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat zij niet verzekerd is voor de AKW.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de wet degene die:
a) ingezetene is;
b) geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
De Raad overweegt als volgt.
Niet in geschil is dat appellante op de peildata van het eerste kwartaal van 2004 niet ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen.
Ingevolge artikel 2 vanPro de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag, waar een persoon woont, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beantwoord. Naar vaste jurisprudentie van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment waarop gezien deze criteria het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats heeft in Nederland heeft.
Appellante die de Nederlandse nationaliteit bezit, verblijft vanaf 1997 afwisselend bij haar vader in Nederland of bij haar moeder in Spanje. Met betrekking tot de juridische binding met Nederland is de Raad van oordeel dat deze gelet op de Nederlandse nationaliteit van appellante aanwezig is. Voor het verwerven van inkomen is appellante niet op Nederland aangewezen, aangezien zij wordt onderhouden door haar vader. Tevens beschikt appellante niet over zelfstandige woonruimte in Nederland, zodat de economische binding van appellante met Nederland zwak is. Na de geboorte van haar zoon in Spanje verblijft appellante wederom, al dan niet samen met haar zoon, afwisselend in Nederland en Spanje. Gelet op het gegeven dat de vader van Ignacio in Spanje woont en Ignacio vanaf 1 januari 2004 in Spanje naar school gaat acht de Raad de binding met Nederland op de peildatum hier in geding in sociaal opzicht onvoldoende.
Gelet op het totaalbeeld van de juridische, economische en sociale factoren ziet de Raad geen ondersteuning voor de stelling van appellante dat het middelpunt van haar maatschappelijk leven in Nederland ligt en dat zij dientengevolge heeft voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te zijn voor de AKW, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Appellante heeft een beroep gedaan op het arrest van het Europese Hof van Justitie van 7 juli 2005, C-227/03, Van Pommeren-Bourgondiën. De Raad ziet deze grief niet slagen aangezien dit arrest geen raakvlakken heeft met de onderhavige rechtsvraag.
Voorts heeft appellante in hoger beroep verwezen naar de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU). Op grond van de Wet BEU heeft de verzekerde geen recht op kinderbijslag gedurende de periode dat hij, of degene ten behoeve van wie de kinderbijslag wordt verstrekt, niet in Nederland woont. Deze export beperking geldt niet indien betrokkene woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op kinderbijslag kan bestaan. De Raad is hieromtrent van oordeel dat de Wet BEU eerst aan de orde kan komen indien appellante verzekerd is voor de AKW. Gelet echter op vorenstaande overwegingen heeft de Raad die vraag ontkennend beantwoord.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 december 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.