ECLI:NL:CRVB:2007:BC2068

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1506 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11, vierde lid, Coördinatiewet Sociale Verzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging verzekeringsplicht directeur-grootaandeelhouder per 1 januari 2005 zonder premierestitutie

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het besluit van het UWV bevestigde om de verzekeringsplicht van haar directeur-grootaandeelhouder niet met terugwerkende kracht te beëindigen.

De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld en dat appellante op de hoogte had moeten zijn van de relevante wijziging in aandelenbezit die leidde tot verzekeringsplicht. De directeur had bovendien geen melding gemaakt van de gewijzigde aandelenverhouding tijdens looncontroles.

In hoger beroep benadrukte appellante dat vanaf 1 juli 1994 geen verzekeringsplicht had mogen gelden en dat er sprake was van onverschuldigde premiebetaling die gerestitueerd moest worden. Subsidiair stelde zij dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door het middellijke aandelenbezit buiten beschouwing te laten.

De Raad stelde vast dat de verzekeringsplicht van de directeur en zijn echtgenote gescheiden beoordeeld moesten worden en dat het beroep tegen de verzekeringsplicht van de echtgenote buiten de grenzen van het geding viel. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht pas per 1 januari 2005 de verzekeringsplicht beëindigde en dat er geen sprake was van nalatigheid of onzorgvuldigheid.

De Raad wees premierestitutie af en bevestigde de aangevallen uitspraak, zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De verzekeringsplicht van de directeur-grootaandeelhouder is terecht pas per 1 januari 2005 beëindigd en premierestitutie wordt afgewezen.

Uitspraak

07/1506 ALGEM
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2007, 05/4645 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 22 november 2007.
II. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.L. Kawka, werkzaam bij BDO CampsObers Accountants & Belastingadviseurs B.V. te Naaldwijk, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2007, waar voor appellante is verschenen [naam directeur], directeur van appellante, en mr. Kawka, voornoemd, als haar raadsman.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de regelgeving, zoals die luidde ten tijde hier van belang.
Het Uwv heeft, naar aanleiding van een verzoek namens appellante door [naam directeur] (hierna: [naam directeur]) om de veronderstelde verzekeringsplicht van hemzelf en diens echtgenote [naam echtgenote] (hierna[naam directeur]m echtgenote]) opnieuw te beoordelen, de verzekeringsplicht van beiden onderzocht. Daaruit is gebleken dat [naam directeur] in feite sedert datum oprichting van appellante vanaf 9 september 1994 100% aandeelhouder was van appellante. Hij beschikte naast de 20 % aandelen in appellante zelf, via [N.V.] (waarvan hij 100% aandeelhouder was) tevens over de andere 80% aandelen. Van dit laatste heeft [naam directeur] nimmer melding gemaakt. Op grond hiervan wordt [naam directeur] vervolgens aangemerkt als directeur-grootaandeelhouder in de zin van de “regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder”. Bij besluit van 31 maart 2005 heeft het Uwv besloten [naam directeur] alsmede [naam echtgenote] niet meer verzekeringsplichtig te achten voor de sociale werknemersverzekeringswetten en dat op grond hiervan er per 1 januari 2005 geen premies meer verschuldigd zijn voor bovengenoemde wetten. Na gemaakt bezwaar, waarbij appellante tevens heeft aangevoerd dat sprake is van onverschuldigd betaalde premie en dat gelet op artikel 11, vierde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) premierestitutie over de periode 11 september 1996 – 28 februari 2002 aan de orde is, heeft het Uwv bij besluit van 8 augustus 2005 de bezwaren ongegrond verklaard en als volgt geoordeeld. Nu appellante in december 2004 heeft verzocht de verzekeringsplicht van [naam directeur] en [naam echtgenote] opnieuw te beoordelen en niet is gebleken van onzorgvuldigheid en/of nalatigheid van de zijde van het Uwv heeft het Uwv besloten overeenkomstig zijn beleid de verzekeringsplicht per toekomende datum te beëindigen, in dit geval per 1 januari 2005.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – voor zover betrekking hebbende op de verzekeringsplicht van [naam directeur] – geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft kunnen besluiten de verzekeringsplicht van [naam directeur] niet met terugwerkende kracht te beëindigen. Daartoe heeft de rechtbank verwezen naar het door de Raad reeds meer malen onderschreven beleid dat het Uwv ter zake voert en waarvan slechts afgeweken kan worden indien er sprake is van nalatigheid of onzorgvuldigheid van de zijde van het Uwv. Van appellante mag verwacht worden op de hoogte te zijn van het feit dat een aandelenverhouding die leidt tot het verwerven van een onmiddellijk aandelenbezit van 100% een relevante wijziging is. De omstandigheid dat [naam directeur] zelf tijdens een van de in het verleden verrichte looncontroles geen melding heeft gemaakt van de gewijzigde aandelenverhouding heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld voor het oordeel van de rechtbank.
In hoger beroep is namens appellante primair benadrukt dat gezien de aandelenverhouding er sedert 1 juli 1994 geen ruimte bestond om verzekeringsplicht vast te stellen, dat sinds 1 juli 1994 reeds sprake is van onverschuldigde betaling en dat er derhalve de betreffende premies dienen te worden gerestitueerd. Subsidiair is appellante de mening toegedaan dat nu het Uwv het middellijke aandelenbezit van [naam directeur] buiten beschouwing heeft gelaten en derhalve onzorgvuldig heeft gehandeld, er vanaf 1 juli 1994 respectievelijk 1 januari 1999 dan wel 1 januari 2004 ten onrechte premies werknemersverzekeringen zijn afgedragen en er sprake is van onverschuldigde betaling.
De Raad overweegt als volgt.
Allereerst stelt de Raad met de rechtbank vast dat de bestreden verzekeringsplicht van [naam directeur] en [naam echtgenote] in het primaire besluit splitsbaar en niet samenhangend zijn. Door eerst in beroep inhoudelijk op te komen tegen de aangenomen verzekeringsplicht van [naam echtgenote] is appellante buiten de inmiddels vastgestelde grenzen van het geding getreden.
In geding is dan vervolgens het antwoord op de vraag of het Uwv de verzekeringsplicht van [naam directeur] terecht eerst per 1 januari 2005 heeft beëindigd en terecht niet tot premierestitutie is overgegaan.
De Raad onderschrijft het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank, dat steun vindt in zijn vaste jurisprudentie. De Raad ziet geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van nalatigheid of onzorgvuldigheid van de zijde van het Uwv.
Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad van oordeel dat het Uwv destijds vanaf 1 juli 1994 [naam directeur] terecht als verplicht verzekerd heeft aangemerkt. Daarbij merkt de Raad op dat op basis van de verklaring namens appellante door [naam directeur] in 1994 aan een buitendienstmedewerker dat hij 20% van de aandelen [W.] in zijn bezit had en de overige 80% aandelen in handen waren van een buitenlandse vennootschap (te weten [N.V.]) en het gegeven dat vervolgens tegen een tweetal verzekeringplichtbesluiten van 24 november 1994 respectievelijk 17 juli 1998 geen rechtsmiddel is aangewend, voor het Uwv geen redenen behoefden te zijn om te twijfelen aan de juistheid van de vaststelling van diens verzekeringsplicht. De Raad acht onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie goede gronden aanwezig voor het besluit van het Uwv om overeenkomstig diens vaste beleid de verzekeringsplicht eerst met ingang van een toekomende datum – in casu 1 januari 2005 – te beëindigen. In onderhavige zaak is de Raad niet van zodanige zeer bijzondere omstandigheden gebleken welke tot een hiervan afwijkende toepassing zouden dienen te leiden. Door [naam directeur] niet af te melden, de relevante aandelenverhoudingen niet aan het Uwv te melden en de premiebetalingen ten behoeve van [naam directeur] te continueren, is mede door toedoen van appellante de situatie ontstaan dat [naam directeur] lange tijd ten onrechte bij het Uwv als verzekerd te boek stond.
De Raad is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het Uwv terecht en op goede gronden de verzekeringsplicht van [naam directeur] niet eerder dan per 1 januari 2005 als beëindigd heeft beschouwd. Voor premierestitutie is dan ook geen plaats. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en K. Zeilemaker als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A. Badermann.