ECLI:NL:CRVB:2007:BC2979
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging hoofdelijke aansprakelijkheid voor onbetaalde sociale verzekeringspremies ondanks onvoldoende bewijs kennelijk onbehoorlijk bestuur
Betrokkenen werden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven sociale verzekeringspremies van het failliete uitzendbureau over de jaren 1999 tot en met 2001. De rechtbank had geoordeeld dat onvoldoende bewijs bestond voor kennelijk onbehoorlijk bestuur door betrokkenen. Appellant stelde in hoger beroep dat sprake was van structureel en systematisch niet voldoen aan loonopgaveverplichtingen en financieel disfunctioneren.
De Raad volgde appellant deels in de constatering dat er sprake was van minder zorgvuldige bedrijfsvoering, maar vond onvoldoende controleerbare aanwijzingen dat betrokkenen kennelijk onbehoorlijk hebben bestuurd. Ook de niet-lidmaatschap van de ABU en administratieve tekortkomingen waren onvoldoende om kennelijk onbehoorlijk bestuur aan te tonen.
De Raad concludeerde dat appellant niet overtuigend heeft aangetoond dat het niet betalen van premies het gevolg was van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden bevestigd en de beroepen van betrokkenen verworpen. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten en een recht geheven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat onvoldoende bewijs bestaat voor kennelijk onbehoorlijk bestuur en wijst het hoger beroep van het UWV af.