ECLI:NL:CRVB:2008:BC1105
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens loondoorbetalingsverplichting werkgever
Appellante trad op 29 maart 2004 in dienst als oproepkracht voor 12 maanden bij een werkgever, met een contract waarin een proeftijd was opgenomen. Dit contract was echter niet ondertekend door beide partijen, waardoor de proeftijd niet schriftelijk was overeengekomen en dus niet rechtsgeldig was.
Op 9 april 2004 werd appellante ziek en ongeschikt om te werken. Het UWV weigerde haar een Ziektewet-uitkering toe te kennen omdat zij recht had op loondoorbetaling door haar werkgever. Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep verklaarden het bezwaar ongegrond.
De Raad oordeelde dat het ontbreken van een schriftelijke proeftijd betekent dat de werkgever gehouden is tot loondoorbetaling op grond van artikel 7:629 BW Pro, en dat op grond van artikel 29 Ziektewet Pro daardoor geen recht op ziekengeld bestaat. De nietigheid van het ontslag werd door appellante ingeroepen, maar dit deed niet af aan de loondoorbetalingsverplichting. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op Ziektewet-uitkering omdat de werkgever gehouden is tot loondoorbetaling.