Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1107

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/2462 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen werk ondanks whiplashklachten

Appellante, voormalig trader, meldde zich ziek met klachten na een verkeersongeval in november 2003. Het UWV besloot per 25 mei 2005 het ziekengeld stop te zetten, omdat zij geschikt werd geacht voor haar eigen werk. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met aanvullende medische informatie van haar fysiotherapeut en Lechner Consult, en dat zij niet in staat was tot lichamelijk onderzoek. Ook betwistte zij dat haar werk licht administratief was, gezien de stress en het computergebruik.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig was en dat de aanvullende informatie geen aanleiding gaf tot herbeoordeling. De artsen concludeerden dat de klachten niet overeenkwamen met hun bevindingen en dat appellante geschikt was voor haar werk. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het beroep af.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

06/2462 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante]),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2006, 05/4600 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.A.C. Backx, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Backx. Het Uwv heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.
II. OVERWEGINGEN
Appellante is laatstelijk fulltime werkzaam geweest als (ondersteunend) trader in dienst van een bank. Na haar ontslag in verband met een reorganisatie is aan appellante met ingang van 1 april 2002 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Appellante heeft zich per 20 januari 2004 ziek gemeld met lichamelijke klachten ten gevolge van een verkeersongeval dat in november 2003 heeft plaatsgevonden.
Op 26 april 2005 heeft appellante opnieuw het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts, die naar aanleiding daarvan inlichtingen heeft ingewonnen bij de huisarts van appellante. Na ontvangst van de gegevens van de huisarts is de verzekeringsarts bij een hernieuwd onderzoek op het spreekuur van 24 mei 2005 tot de conclusie gekomen dat appellante ondanks de whiplashklachten in staat is haar functie van administratief medewerker/trader te verrichten.
Dienovereenkomstig is bij besluit van 24 mei 2005 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 25 mei 2005 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 23 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 mei 2005 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat de beslissing van het Uwv berust op een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. De door appellante overgelegde informatie van de behandelend fysiotherapeut en Lechner Consult werpen naar het oordeel van de rechtbank geen nieuw licht op de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding. Gelet op de door de huisarts verstrekte informatie over de gezondheidstoestand van appellante acht de rechtbank het niet onzorgvuldig dat de (bezwaar)verzekeringsarts geen informatie heeft ingewonnen bij de fysio- en manuele therapeut.
Appellante heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank betwist. Appellante is van mening dat het Uwv geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht doordat de verzekeringsarts niet op de hoogte was van de informatie van de fysio- en manuele therapeut. Bovendien heeft het Uwv ten onrechte nagelaten nader medisch onderzoek te verrichten naar aanleiding van de brief van Lechner Consult van 24 mei 2005. Voor zover al sprake zou zijn geweest van aggravatie, waarbij de huisarts in het journaal een vraagteken heeft geplaatst, betekent dit volgens appellante slechts dat zij klachten anders en wellicht heftiger beleeft dan anderen. De omstandigheid dat appellante niet is ingegaan op de suggestie van een behandeling door het Riagg en injecties heeft geweigerd ter bestrijding van haar schouderklachten, betekent niet dat zij niet aan medische behandelingen wilde meewerken. Volgens appellante heeft zij wel haar medewerking willen verlenen aan het lichamelijk onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts, maar was zij daartoe niet in staat omdat zij bepaalde bewegingen vanwege haar klachten niet kon uitvoeren. Voorts heeft appellante betwist dat haar eigen werk als trader licht administratief werk betrof en aangevoerd dat dit werk in verband met het vele computerwerk en de nodige stress zwaar en hectisch was.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat aan het bestreden besluit een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek vooraf is gegaan. Blijkens de rapportages hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts appellante onderzocht en kennis genomen van het huisartsjournaal, dat geen informatie bevatte dat aanleiding gaf tot nader onderzoek of een andere beoordeling van de gezondheidstoestand van appellante. De artsen waren ervan op de hoogte dat appellante werd behandeld door een fysio- en manuele therapeut en behoefden geen wezenlijke betekenis toe te kennen aan de opvatting van de therapeut dat appellante vanwege haar gewrichts- en spierklachten niet in staat was tot werkhervatting. Voorts is de Raad van oordeel dat de brief van Lechner Consult van 24 mei 2005 evenmin aanleiding gaf voor nader onderzoek. In deze brief is, zoals gevraagd, nadere informatie verstrekt over de medische voorgeschiedenis van appellante voorafgaande van het verkeerongeval op 21 november 2003. De brief bevat geen gegevens die een nieuw licht werpen op de gezondheidstoestand van appellant in mei 2005.
De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hebben gerapporteerd dat de ernstige claimklachten van appellante niet in overeenstemming zijn met hun waarnemingen tijdens de verrichte onderzoeken, de dagelijkse activiteiten van appellante en de medische onderzoeken en behandelingen van appellante. De huisarts van appellante, die met de twijfels over de plausibiliteit van de klachten is geconfronteerd, heeft zich niet expliciet uitgelaten over de ernst van de klachten van appellante, maar uit het ingezonden journaal valt veeleer een bevestiging te vinden van de opvatting van de beide artsen daaromtrent. Naar het oordeel van de Raad hebben deze artsen, mede gelet op de beschikbare medische gegevens, zich een volledig oordeel kunnen vormen over de gezondheidstoestand van appellante ook al was zij niet langer bereid een lichamelijk onderzoek te ondergaan. In dit geding is niet de vraag aan de orde of appellante op goede gronden heeft afgezien van medische behandelingen in verband met haar psychische klachten en haar schouderklachten, maar of zij met ingang van 25 mei 2005 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt was voor haar arbeid. De omstandigheid dat het werk van appellante als trader intensief gebruik van de computer en de nodige hectiek meebrengt, zoals zij ter zitting heeft verklaard, betekent naar het oordeel van de Raad niet, dit gelet op de gezondheidstoestand van appellante, dat zij per 25 mei 2005 daartoe niet in staat was.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en
M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op
2 januari 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) E.M. de Bree.