ECLI:NL:CRVB:2008:BC1401

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6908 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 WWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering onkostenvergoeding op grond van de Werkloosheidswet

Appellant was werkzaam als directeur/consultant tot de faillietverklaring van zijn werkgever op 11 februari 2004, waarna de curator de dienstbetrekking opzegde. Appellant verzocht het UWV om overname van achterstallige betalingsverplichtingen, waaronder onkostenvergoeding, op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW).

Het UWV weigerde aanvankelijk de onkostenvergoeding over te nemen, maar nam wel de kosten over voor de periode van 10 november 2003 tot 11 februari 2004. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en appellant stelde hoger beroep in tegen de weigering van de onkostenvergoeding over de gehele gevorderde periode van één jaar.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de onkostenvergoeding betrekking heeft op kosten zoals parkeergeld, lunches en printpapier, die aan appellant zelf zijn verschuldigd en niet aan derden. Op basis van vaste rechtspraak biedt artikel 64, aanhef en onder c, WW geen grond om deze vergoeding als aan derden verschuldigd te kwalificeren. Daarom wordt de weigering van het UWV bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de gevorderde onkostenvergoeding over te nemen.

Uitspraak

06/6908 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 oktober 2006, 06/1485 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 januari 2008.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. A.J. Fontijn hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Appellant is tot 27 januari 2004 werkzaam geweest als directeur/consultant bij [werkgever]. De werkgever is op 11 februari 2004 failliet verklaard. De curator heeft op 19 februari 2004 de dienstbetrekking met appellant opgezegd. Appellant heeft het Uwv verzocht om met toepassing van Hoofdstuk IV van de WW de achterstallige betalingsverplichtingen van de werkgever over te nemen. Bij besluit van 9 augustus 2004 heeft het Uwv appellant er (onder meer) van in kennis gesteld dat hij het gevraagde tantième en de onkostenvergoeding niet overneemt. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 20 januari 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv alsnog bepaald dat de onkosten over de periode als bedoeld in artikel 64, aanhef en onder a, van de WW, te weten de periode van 10 november 2003 tot 11 februari 2004, voor overneming in aanmerking komen. Daarmee is de weigering om de sedert 11 februari 2003 gemaakte onkosten over te nemen, gehandhaafd.
2.2. De rechtbank heeft, oordelend over de vergoeding van tantième en onkosten, het beroep van appellant ongegrond verklaard.
2.3. Appellant heeft de uitspraak van de rechtbank alleen aangevallen terzake van de onkostenvergoeding. Appellant meent dat het Uwv gehouden is die kosten over de in artikel 64, aanhef en onder c, van de WW genoemde periode van één jaar over te nemen. Hij stelt dat die kosten zijn gemaakt in de uitoefening van zijn functie, te weten werving van personeel voor derden, en dat de werkgever die bedragen aan derden verschuldigd is geworden.
3.1. De Raad staat voor de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over de bij het bestreden besluit plaatsgevonden afwijzing van de overneming van de gevorderde onkostenvergoeding. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend.
3.2. De door appellant geclaimde kosten zien op parkeergeld, lunches, koffie, printpapier e.d. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de werkgever de onkostenvergoeding aan appellant verschuldigd is geworden. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer zijn uitspraak van 4 november 1997, LJN ZB7406) bieden tekst noch wetsgeschiedenis van artikel 64, aanhef en onder c, van de WW een aanknopingspunt voor de opvatting dat de term ‘aan derden verschuldigd’ in dat artikelonderdeel ruimte biedt om ook een rechtstreeks aan de werknemer verschuldigde vergoeding onder het toepassingsbereik van die bepaling te kunnen brengen.
3.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.
BvW