ECLI:NL:CRVB:2008:BC1401
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering onkostenvergoeding op grond van de Werkloosheidswet
Appellant was werkzaam als directeur/consultant tot de faillietverklaring van zijn werkgever op 11 februari 2004, waarna de curator de dienstbetrekking opzegde. Appellant verzocht het UWV om overname van achterstallige betalingsverplichtingen, waaronder onkostenvergoeding, op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW).
Het UWV weigerde aanvankelijk de onkostenvergoeding over te nemen, maar nam wel de kosten over voor de periode van 10 november 2003 tot 11 februari 2004. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en appellant stelde hoger beroep in tegen de weigering van de onkostenvergoeding over de gehele gevorderde periode van één jaar.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de onkostenvergoeding betrekking heeft op kosten zoals parkeergeld, lunches en printpapier, die aan appellant zelf zijn verschuldigd en niet aan derden. Op basis van vaste rechtspraak biedt artikel 64, aanhef en onder c, WW geen grond om deze vergoeding als aan derden verschuldigd te kwalificeren. Daarom wordt de weigering van het UWV bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de gevorderde onkostenvergoeding over te nemen.