ECLI:NL:CRVB:2008:BC1683

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2104 TW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringToeslagenwet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting toeslag wegens niet tijdig aanvragen ondanks kennis en geen verminderde verwijtbaarheid

Appellante ontvangt een WAO-uitkering en vroeg een toeslag aan op grond van de Toeslagenwet vanwege de geboorte van haar kind. Het UWV kende de toeslag toe, maar legde een korting van 20% op wegens het niet tijdig indienen van de aanvraag.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij door haar geestelijke of lichamelijke gezondheidstoestand niet tijdig kon aanvragen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en oordeelde dat appellante een maand voor de bevalling wist dat zij een toeslag kon aanvragen en dat het niet tijdig aanvragen haar eigen verantwoordelijkheid was.

De Raad vond dat er geen sprake was van verminderde verwijtbaarheid en dat appellante geen medische belemmeringen had om tijdig hulp in te roepen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de korting op de toeslag bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de korting op de toeslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

06/2104 TW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 februari 2006, 05/4808 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. J.L.A. Helmer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Graaff.
II. Overwegingen
Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 2 februari 2005 heeft appellante een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) aangevraagd op haar WAO-uitkering in verband met de geboorte van haar kind op 7 mei 2004. Bij besluit van 15 maart 2005 heeft het Uwv appellante per 7 mei 2004 een toeslag toegekend. Bij een ander besluit van 15 maart 2005 heeft het Uwv appellante over de periode van 18 juni 2004 tot 3 februari 2005 een maatregel, in de vorm van een korting van 20% op de aan haar toegekende toeslag, opgelegd wegens het niet tijdig aanvragen van de toeslag.
Het bezwaar tegen het besluit van 15 maart 2005 waarbij appellante een maatregel is opgelegd, is bij besluit van 7 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de relevante wettelijke voorschriften, het volgende overwogen, waarbij appellante is aangeduid als eiseres.
“De rechtbank komt niet tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Eiseres heeft niet aannemelijk kunnen maken dat zij vanwege haar geestelijke dan wel lichamelijke gezondheidstoestand niet in staat is geweest tijdig een aanvraag voor een toeslag in te dienen. Vast staat dat eiseres tijdens de hoorzitting in het kader van de bezwaarprocedure heeft gezegd dat zij een maand voor de bevalling wist dat zij na haar bevalling een aanvraag voor een toeslag moest indienen. Dit impliceert dat er voor eiseres een moment voor de overschrijding van de aanvraagtermijn is geweest dat zij wist dat zij een toeslag moest aanvragen. Naar het oordeel van de rechtbank had eiseres haar aanvraag voor een toeslag toen moeten doen. Het argument van eiseres dat zij moeite heeft om de stappen te zetten, is niet specifiek genoeg, aangezien er juist ook situaties zijn waarin zij die stappen wel kan nemen. Uit de gedingstukken en ter zitting is immers gebleken dat eiseres zelf actie heeft ondernomen om het aanvraagformulier voor toekenning van een toeslag aan te vragen. De brief van de huisarts van eiseres geeft onvoldoende aanleiding om te oordelen dat eiseres vanwege haar geestelijke beperkingen niet in staat is om de stappen te zetten die nodig zijn om iets te bereiken.”
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen.
Onder verwijzing naar de rapportages van bezwaarverzekeringsarts A. Mirza van 31 juli 2006 en 2 november 2007, is de Raad voorts van oordeel dat niet is gebleken dat appellante op medische gronden niet in staat is geweest de aanvraag tijdig in te dienen. Tevens acht de Raad van belang – evenals de rechtbank heeft overwogen – dat appellante een maand voor de bevalling wist dat zij aanspraak kon maken op een toeslag. De Raad acht het niet aannemelijk dat appellante zo nodig niet in staat was hulp van anderen in te roepen bij het aanvragen van de toeslag. Dat zij, naar zij stelt, de aanvraag letterlijk is vergeten, komt voor haar rekening en risico.
Gelet op deze omstandigheden is naar het oordeel van de Raad geen sprake van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid noch van een verminderde mate van verwijtbaarheid.
Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) P. van der Wal.
TM