ECLI:NL:CRVB:2008:BC1688
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens geschiktheid eigen werk
Appellante, voormalig medewerkster cafetaria, ontving sinds november 2004 een WW-uitkering en meldde zich in december 2004 ziek na een val van een paard. De verzekeringsarts onderzocht haar in april 2005 en constateerde geen objectieve afwijkingen, waarbij een discrepantie werd vastgesteld tussen subjectieve klachten en objectieve bevindingen. Het Uwv besloot daarom per 15 april 2005 het ziekengeld stop te zetten omdat zij niet langer ongeschikt werd geacht voor haar werk.
Appellante maakte bezwaar en overhandigde medische verklaringen, maar het Uwv verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Zutphen bevestigde dit oordeel en vond dat het onderzoek zorgvuldig was verricht, mede omdat appellante geen aanvullende medische informatie had verstrekt. In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat haar klachten haar verhinderen haar werk te doen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De ingebrachte medische stukken betroffen niet de relevante datum en bevatten geen onderbouwing voor ongeschiktheid. De Raad vond geen aanleiding om het besluit te vernietigen en bevestigde de uitspraak, waarmee de weigering van de Ziektewetuitkering per 15 april 2005 stand hield.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering per 15 april 2005 wegens geschiktheid voor eigen werk.