ECLI:NL:CRVB:2008:BC1772

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6862 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WAZ-uitkeringsverhoging

Appellante had bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar verzoek tot verhoging van haar WAZ-uitkering, welke was vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80%. Na een eerste afwijzing door het UWV en een ongegrondverklaring door de rechtbank Maastricht, stelde appellante hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

Tijdens het hoger beroep heeft het UWV een nieuwe beslissing genomen waarin het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellante werd verhoogd naar 80 tot 100%. Appellante gaf aan zich te kunnen verenigen met deze nieuwe beslissing en verzocht om veroordeling van het UWV in de proceskosten.

De Raad oordeelde dat door deze nieuwe beslissing het belang bij het hoger beroep was komen te vervallen, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van enig procesbelang. Tevens wees de Raad het verzoek om proceskostenvergoeding af, omdat er geen sprake was van beroepsmatige rechtsbijstand door een derde partij.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na intrekking van het bestreden besluit.

Uitspraak

05/6862 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 oktober 2005, 2005/583 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 11 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 11 september 2007 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar afgegeven waarop appellante bij brief van 30 oktober 2007 een reactie heeft ingezonden.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 13 oktober 2004 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat haar verzoek om verhoging van haar uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, is afgewezen.
Het door appellante tegen dat besluit ingediende bezwaar heeft het Uwv bij besluit van
1 februari 2005 (hierna: het betreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Maastricht heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Met het nadere besluit van 11 september 2007 heeft het Uwv te kennen gegeven zijn oorspronkelijk ingenomen standpunt inzake de afwijzing tot verhoging van de WAZ-uitkering niet langer te handhaven. Ten gevolge hiervan wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellante per data in geding (respectievelijk
1 januari 2003, 1 mei 2003 en 10 november 2003) vastgesteld op 80 tot 100. Hierdoor kan het bestreden besluit geacht worden te zijn ingetrokken.
Appellante heeft bij brief van 30 oktober 2007 de Raad meegedeeld zich geheel te kunnen verenigen met het besluit van 11 september 2007 en heeft daarbij tevens verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Naar het oordeel van de Raad is met het besluit van 11 september 2007 geheel aan de grieven van appellante tegemoet gekomen.
Uit ’s-Raads uitspraak van 4 februari 1997, LJN: ZB6628, volgt dat in zo’n geval belang bij een beoordeling van het bestreden besluit in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad stelt vast dat namens appellante een dergelijk verzoek niet is gedaan, waarmee het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van enig procesbelang.
Tenslotte wijst de Raad de door appellante gevraagde vergoeding van proceskosten af nu in het onderhavige geval geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Wijst het verzoek tot proceskostenvergoeding af;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) S. Sweep.
JL