ECLI:NL:CRVB:2008:BC1790
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WAO-uitkering
Appellant stelde hoger beroep in tegen een besluit van het UWV tot handhaving van een WAO-uitkering van 15-25% arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op elleboogklachten die zijn arbeidsvermogen als tomatenplukker beperken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad oordeelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard wegens ontbreken van procesbelang.
In de procedure wijzigde het UWV het bestreden besluit naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid (25-35%) per 12 november 2004, wat door de rechtbank ook ongegrond werd verklaard. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het inleidende beroep niet-ontvankelijk en het beroep tegen het wijzigingsbesluit ongegrond.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De Raad volgt de rechtbank in haar overwegingen dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat en dat de resterende functies geschikt zijn. Appellant heeft ter zitting aangegeven geen belang meer te hebben bij verdere beoordeling van het oorspronkelijke besluit.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en het beroep tegen het wijzigingsbesluit is ongegrond.