ECLI:NL:CRVB:2008:BC1969
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken verzekeringsplicht
Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het UWV om een WAO-uitkering te weigeren omdat hij niet verzekerd was volgens artikel 3, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de verzekeringsplicht reeds in een eerdere uitspraak in een vergelijkbare zaak was bevestigd en dat er geen nieuwe feiten waren die dit oordeel konden wijzigen.
Verder oordeelde de Raad dat appellant niet in zijn procesbelangen was geschaad door de overgelegde stukken, aangezien hij hierop kon reageren en deze stukken reeds bekend waren uit eerdere procedures. Ook was het niet noodzakelijk dat het UWV onderzocht of appellant vóór de aanvang van zijn ziekte had aangegeven dat de WAO-uitkering was beëindigd, omdat niet was gebleken dat de dienstbetrekking vóór 1 juli 1998 was voortgezet en appellant niet verzekerd was.
Ten slotte faalde het beroep van appellant dat hij niet opnieuw was gehoord voorafgaand aan het bestreden besluit. De Raad stelde dat hernieuwde hoorzitting niet nodig was omdat de feiten reeds bij een eerdere hoorzitting aan de orde waren geweest. Er was geen schending van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellant niet verzekerd was.