ECLI:NL:CRVB:2008:BC1969

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3848 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 WAOArt. 7:2 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken verzekeringsplicht

Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het UWV om een WAO-uitkering te weigeren omdat hij niet verzekerd was volgens artikel 3, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de verzekeringsplicht reeds in een eerdere uitspraak in een vergelijkbare zaak was bevestigd en dat er geen nieuwe feiten waren die dit oordeel konden wijzigen.

Verder oordeelde de Raad dat appellant niet in zijn procesbelangen was geschaad door de overgelegde stukken, aangezien hij hierop kon reageren en deze stukken reeds bekend waren uit eerdere procedures. Ook was het niet noodzakelijk dat het UWV onderzocht of appellant vóór de aanvang van zijn ziekte had aangegeven dat de WAO-uitkering was beëindigd, omdat niet was gebleken dat de dienstbetrekking vóór 1 juli 1998 was voortgezet en appellant niet verzekerd was.

Ten slotte faalde het beroep van appellant dat hij niet opnieuw was gehoord voorafgaand aan het bestreden besluit. De Raad stelde dat hernieuwde hoorzitting niet nodig was omdat de feiten reeds bij een eerdere hoorzitting aan de orde waren geweest. Er was geen schending van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellant niet verzekerd was.

Uitspraak

06/3848 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 mei 2006, 05/5664 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2007, waar namens appellant zijn gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
De Raad verwijst voor de in dit geding relevante feiten naar de aangevallen uitspraak.
In dit geding is de vraag aan de orde of de aangevallen uitspraak waarin het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv van 12 oktober 2005, hierna: het bestreden besluit, ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.
Bij het bestreden besluit heeft het Uwv zijn besluit van 25 maart 2004 gehandhaafd, strekkende tot de weigering van een uitkering aan appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) omdat hij niet is verzekerd op grond van artikel 3, derde lid, van die wet.
De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en verwijst hiertoe naar de door de Raad op 27 juli 2006 tussen partijen gewezen uitspraak in de zaak 05/21 WW, waarin de Raad de ook in deze procedure partijen verdeeld houdende rechtvraag inzake de verzekeringsplicht van appellant – zij het in die procedure in het kader van de Werkloosheidswet – reeds heeft beantwoord. Niet is kunnen blijken van enig aanknopingspunt dat het door de Raad in evengenoemde uitspraak neergelegde oordeel thans niet langer juist te achten. Naar aanleiding van de van de zijde van appellant naar voren gebrachte overige beroepsgronden overweegt de Raad nog het volgende.
Allereerst is de Raad van oordeel dat appellant ten aanzien van de ter zitting van de rechtbank overgelegde gedingstukken niet in zijn procesbelangen is geschaad, nu appellant ter zitting de gelegenheid heeft gehad te reageren op deze stukken en door het Uwv overigens nog is gesteld dat dit stukken betrof die appellant bekend waren uit eerdere en parallelle procedures.
Ten aanzien van het standpunt van appellant dat het Uwv ten onrechte niet heeft onderzocht of appellant voor aanvang van zijn ziekte kenbaar is gemaakt dat de WAO-uitkering is beëindigd, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank. Er bestond voor het Uwv geen noodzaak zich uit te laten over de vraag of de arbeidsongeschiktheid is aangevangen tussen 1 juli 1998 en het moment dat appellant de wijziging van zijn rechtspositie heeft vernomen, nu feitelijk niet is gebleken dat appellants vóór 1 juli 1998 aangevangen dienstbetrekking tot aan de datum van aanvang van arbeidsongeschiktheid is gecontinueerd en appellant ten tijde in geding niet verzekerd was ingevolge de WAO.
Ten slotte faalt ook de beroepsgrond van appellant dat voorafgaande aan het nemen van het bestreden besluit appellant niet opnieuw is gehoord. De Raad maakt het dienaangaande door de rechtbank gegeven oordeel eveneens tot het zijne. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat opnieuw horen van appellant uit oogpunt van zorgvuldigheid niet noodzakelijk was, nu bij het nemen van het bestreden besluit sprake is geweest van dezelfde feiten waarover appellant zich tijdens een eerdere hoorzitting reeds had uitgelaten. Schending van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft zich in onderhavige situatie niet voorgedaan.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
JL