ECLI:NL:CRVB:2008:BC1971
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Weigering erkenning als burgeroorlogsslachtoffer wegens ontbreken blijvende invaliditeit
Appellant heeft bij verweerster een aanvraag ingediend om erkend te worden als burgeroorlogsslachtoffer en in aanmerking te komen voor een WUBO-uitkering, gebaseerd op gezondheidsklachten die hij verbindt aan zijn oorlogservaringen. Verweerster wees de aanvraag af omdat appellant weliswaar door oorlogsgeweld was getroffen, maar niet voldeed aan de eis van lichamelijk of psychisch letsel leidend tot blijvende invaliditeit.
Appellant stelde dat het onderzoek van de geneeskundig adviseur onvolledig was en dat zijn psychische klachten en beperkingen onvoldoende waren onderzocht. De Raad overwoog dat het standpunt van verweerster goed was gemotiveerd en gebaseerd op medische adviezen, waaronder het rapport van arts G.J. Laatsch, die een uitgebreid onderzoek had verricht.
De Raad vond geen aanleiding voor aanvullend psychiatrisch onderzoek en verwierp het verweer dat het onderzoek te kort zou zijn geweest. De Raad concludeerde dat er onvoldoende bewijs was voor blijvende invaliditeit in de zin van de Wet en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees de Raad een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit als gevolg van oorlogsgeweld.