ECLI:NL:CRVB:2008:BC1975
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende motivering arbeidsongeschiktheid
Appellante, die sinds 1986 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt is, ontving vanaf 1987 een WAO-uitkering. Per 22 oktober 1996 werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 15 tot 25%, en zij ontving tevens een WW-uitkering tot april 2001.
Het UWV handhaafde in 2004 haar arbeidsongeschiktheidspercentage, ondanks een rapportage van de verzekeringsarts die sprak van subjectieve verergering maar geen afname van functionele mogelijkheden. De bezwaarverzekeringsarts onderschreef dit oordeel, waarna het bezwaar ongegrond werd verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. In hoger beroep vernietigt de Raad dit deel van de uitspraak vanwege een onvoldoende deugdelijke motivering, met name omdat niet is ingegaan op medische informatie van diverse specialisten en geen arbeidskundig onderzoek is verricht. Het UWV moet een nieuw besluit nemen, waarbij ook artikel 39a WAO betrokken dient te worden.
De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed. De kwestie van rentevergoeding blijft open voor nadere besluitvorming.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.