ECLI:NL:CRVB:2008:BC2011
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening besluit erkenning vervolging tijdens Japanse bezetting
Appellant, geboren in 1932, verzocht om erkenning als vervolgde op grond van de Wet uit 2003, waarbij hij stelde dat hij tijdens de Japanse bezetting vrijheidsberoving had ondergaan. Verweerster wees dit verzoek af, omdat geen officiële bevestiging was van deze vrijheidsberoving en de omstandigheden niet als vervolging konden worden aangemerkt.
Na eerdere afwijzingen en een uitspraak van de Raad in 2005 waarin het beroep van appellant ongegrond werd verklaard, diende appellant een verzoek tot herziening in met nieuwe feiten over internering in een jongenskamp. Verweerster handhaafde haar standpunt na onderzoek.
De Raad oordeelt dat de discretionaire bevoegdheid van verweerster terughoudend wordt getoetst en dat de nieuwe verklaringen van appellant en zijn broers onvoldoende bewijs vormen zonder officiële bevestiging. Ook de late verklaring van een derde partij weegt niet zwaar genoeg.
Het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard, en het beroep tegen het herzieningsbesluit wordt ongegrond verklaard. De Raad wijst tevens een verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen het uitblijven van een beslissing is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het herzieningsbesluit is ongegrond verklaard.