ECLI:NL:CRVB:2008:BC2179

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1081 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 WAOArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering en terugvordering onverschuldigde voorschotten

Appellante werd door het UWV geïnformeerd dat zij geen WAO-uitkering zou ontvangen omdat zij niet arbeidsongeschikt was volgens de wet. Tevens werd het aan haar verleende voorschot ingetrokken. Het bezwaar tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard en niet aangevochten.

Het UWV vorderde later de onverschuldigd betaalde voorschotten terug, wat door appellante werd betwist. De rechtbank oordeelde dat de terugvordering rechtens correct was omdat de voorschotten onverschuldigd waren betaald en er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en wees erop dat het tijdsverloop tussen betaling en terugvordering geen dringende reden vormt om af te zien van terugvordering. Ook het feit dat appellante meende arbeidsongeschikt te zijn, verandert niets aan het rechtmatige besluit van het UWV. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering en de terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten.

Uitspraak

06/1081 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 januari 2006, 05/4802 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J. Hulsbosch, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007.
Appellante is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. Hulsbosch. Het Uwv, eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.
II. OVERWEGINGEN
Bij brief van 31 oktober 2002 is appellante door het Uwv in kennis gesteld van het besluit om haar met ingang van 12 maart 2002 geen uitkering toe te kennen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat zij niet arbeidsongeschikt was in de zin van deze wet. Op 31 oktober 2002 is appellante tevens meegedeeld dat het aan haar verleende voorschot werd ingetrokken. Het tegen het besluit tot weigering van WAO-uitkering gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 mei 2003 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep in gesteld.
Bij besluit van 8 oktober 2004 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat de aan haar over de periode van 12 maart 2002 tot 1 november 2002 betaalde voorschotten ten bedrage van € 7.323,32 van haar werden teruggevorderd.
Bij brief van 27 januari 2005 heeft appellante, die inmiddels was verhuisd, tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij het besluit van 8 oktober 2004 eerst samen met een brief van het Uwv van 17 december 2004 inzake de vaststelling van haar aflossingscapaciteit had ontvangen.
Bij besluit van 31 mei 2005 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van
8 oktober 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het besluit tot weigering van WAO-uitkering rechtens onaantastbaar is en dat dus als vaststaand moet worden aangenomen dat de voorschotten over de periode van 12 maart 2002 tot 1 november 2002 onverschuldigd zijn betaald. In aanmerking nemend dat terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald in artikel 57, eerste lid, van de WAO dwingend is voorgeschreven en dat van een dringende reden, zoals geformuleerd in de jurisprudentie van de Raad, niet is gebleken zag de rechtbank geen grond waarop het Uwv van terugvordering had behoren af te zien.
De Raad heeft het volgende overwogen.
Gelet op het verhandelde ter zitting, ziet de Raad geen reden om eraan te twijfelen dat appellante het kennelijk naar haar vorige adres, niet aangetekend, verzonden besluit van 8 oktober 2004 eerst met de brief van het Uwv van 17 december 2004 heeft ontvangen. Het Uwv heeft het bezwaarschrift van 27 januari 2005 dus terecht in behandeling genomen.
De Raad verenigt zich verder met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden voor een ander oordeel. De Raad merkt naar aanleiding hiervan nog op dat de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen geen betrekking heeft op invordering van uitkeringen. Dat appellante zelf van mening was dat zij arbeidsongeschikt was, en zich dus niet redelijkerwijs kon realiseren dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was, gaat voorbij aan het hiervoor reeds vermelde, in bezwaar gehandhaafde, besluit van het Uwv van 31 oktober 2002, waarin is vastgesteld dat zij met ingang van 12 maart 2002 niet arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO.
De Raad onderschrijft verder het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken van onaanvaardbare financiële en/of sociale consequenties van de terugvordering, zodat niet gesproken kan worden van een dringende reden om van terugvordering af te zien. De omstandigheid dat het Uwv er lang over heeft gedaan om te besluiten tot terugvordering van de verstrekte voorschotten kan evenmin een dringende reden, zoals hiervoor omschreven, opleveren. Appellante heeft aan dit tijdsverloop ook redelijkerwijs geen verwachting kunnen ontlenen dat het Uwv van terugvordering zou afzien. In het besluit van 13 juni 2002, waarbij de voorschotten zijn toegekend, is vermeld dat het voorschot diende te worden terugbetaald, als verrekening niet mogelijk zou zijn. Appellante heeft nadien geen berichten van het Uwv ontvangen die erop wijzen dat van terugvordering werd afgezien.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P. van der Wal.
TM