ECLI:NL:CRVB:2008:BC2356

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2430 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van UWV-besluit over arbeidsongeschiktheid en geschiktheid functies

Appellant viel op 7 november 2003 uit wegens psychische klachten en ontving op 10 december 2004 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%. Het UWV verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze beslissing op 28 juli 2005 ongegrond, stellende dat appellant ondanks beperkingen geschikt was voor functies geselecteerd door een arbeidsdeskundige.

De rechtbank Utrecht vond geen aanwijzingen voor onvolledig of onzorgvuldig medisch onderzoek en oordeelde dat het UWV de functies adequaat had gemotiveerd, rekening houdend met zowel lichamelijke als psychische beperkingen van appellant. Appellant stelde in hoger beroep geen nieuwe feiten of medische informatie aan de orde die twijfel konden zaaien over de bevindingen van de verzekeringsartsen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en het UWV, waarbij werd meegewogen dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van alle klachten en de medische informatie zorgvuldig hadden meegewogen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef van kracht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit wordt bevestigd.

Uitspraak

06/2430 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 maart 2006, 05/2468 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H. Drenth, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.W.M. van den Heiligenberg, kantoorgenoot van mr. Drenth. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is op 7 november 2003 als gevolg van psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als OALT-leerkracht.
Bij besluit van 10 december 2004 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 5 november 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Bij het thans bestreden besluit van 28 juli 2005 heeft het Uwv het tegen het besluit van 10 december 2004 door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellant met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
De rechtbank heeft in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen steun gevonden voor het standpunt van appellant dat er sprake is van een onvolledig of onzorgvuldig medisch onderzoek.
Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit was de rechtbank van oordeel dat, uitgaande van de Functionele Mogelijkheden Lijst van 30 november 2004, het Uwv de aan appellant voorgehouden functies van een toereikende motivering heeft voorzien, zowel wat betreft appellants lichamelijke als zijn psychische beperkingen.
De Raad kan de rechtbank volgen in haar oordeel dat op grond van de stukken kan worden aangenomen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De Raad neemt in aanmerking dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van appellants klachten en bij hun beschouwing de door appellant overlegde medische informatie meegewogen hebben.
Voorts heeft appellant ook in hoger beroep geen informatie overgelegd die de Raad aanleiding geeft tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen inzake zijn belastbaarheid voor gangbare arbeid op de datum in geding 5 november 2004.
Het hoger beroep slaagt niet.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M. Gunter.