ECLI:NL:CRVB:2008:BC2397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO/WAZ-uitkering en toetsing reformatio in peius en zorgvuldigheidsbeginsel
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO/WAZ-uitkering te beëindigen per 1 oktober 2004, omdat hij volgens het UWV vanaf die datum niet langer arbeidsbeperkingen ondervond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat het medische oordeel waarop het besluit is gebaseerd betrouwbaar is en dat appellant vanaf 1 oktober 2004 geen medische arbeidsbeperkingen meer had. Het eerdere oordeel van de verzekeringsarts uit maart 2003 deed hieraan niet af.
Appellant voerde aan dat het handhaven van de beëindiging in hoger beroep een schending van het verbod van reformatio in peius betekende, maar deze grond faalde omdat de rechtsbetrekking niet werd verslechterd. Tevens stelde appellant dat het zorgvuldigheidsbeginsel was geschonden omdat hij onvoldoende tijd had gekregen om zich aan te passen aan de nieuwe situatie. De Raad oordeelde dat appellant reeds op 18 augustus 2004 was geïnformeerd dat hij geen arbeidsbeperkingen meer had en dat hij als zelfstandig restauranthouder redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat hij zijn werk weer volledig kon verrichten. Daarom was een uitlooptermijn niet noodzakelijk.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAO/WAZ-uitkering per 1 oktober 2004 en wijst het hoger beroep af.