ECLI:NL:CRVB:2008:BC2440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding bij terugvordering AOW-toeslag
Betrokkene ontving vanaf juni 1989 een AOW-pensioen en vanaf 1997 een toeslag omdat zijn echtgenote nog geen 65 was. In 2002 meldde de Belastingdienst dat de echtgenote sinds oktober 1999 inkomsten uit arbeid had, wat leidde tot herziening van de toeslag en terugvordering van te veel betaalde bedragen.
Betrokkene maakte bezwaar tegen het herzieningsbesluit, maar deed dit pas na de wettelijke termijn van zes weken. De Sociale verzekeringsbank (Svb) verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad stelde vast dat de rechtbank niet ambtshalve de ontvankelijkheid had moeten toetsen.
De Raad oordeelde dat het bezwaar niet tijdig was ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. De terugvordering van het te veel betaalde bedrag werd bevestigd, evenals de opgelegde boete wegens het niet tijdig melden van de wijziging in het inkomen van de echtgenote. De boete werd verlaagd conform eerdere beslissing. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep tegen het eerste besluit werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het herzieningsbesluit is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding; de terugvordering en boete worden gehandhaafd.