ECLI:NL:CRVB:2008:BC2997
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- R.C. Stam
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk na wachttijd
Appellant had bezwaar gemaakt tegen de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om hem een WAO-uitkering toe te kennen per 21 oktober 2001, na het doorlopen van de wettelijke wachttijd van 52 weken. De rechtbank Maastricht had het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van het Uwv gehandhaafd. In hoger beroep betoogde appellant dat het Uwv het oordeel over zijn medische toestand ten tijde van de aanvang van de verzekering onjuist had toegepast en dat hij niet geschikt kon worden geacht voor zijn eigen werk, mede omdat het dienstverband bij zijn werkgever was beëindigd en een gedetailleerde beschrijving van zijn werkzaamheden en belastende factoren ontbrak.
De Centrale Raad van Beroep stelde zich achter de overwegingen van de rechtbank en oordeelde dat de beschikbare gegevens voldoende steun boden aan het oordeel van het Uwv dat appellant op 21 oktober 2001, het moment waarop de wachttijd was verstreken, geschikt was voor zijn eigen werk. De Raad vond de aangevoerde argumenten onvoldoende onderbouwd om tot een ander oordeel te komen of een nader medisch onderzoek in te stellen. Tevens achtte de Raad geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad voegde toe dat de bezwaararbeidsdeskundige zich op basis van een rapportage een duidelijk beeld had kunnen vormen over het eigen werk van appellant en dat het aannemelijk was dat deze arbeid met gelijke belasting en beloning op de arbeidsmarkt voorkwam. De uitspraak bevestigt daarmee het eerdere besluit van het Uwv en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn eigen werk op de datum van het einde van de wachttijd.