ECLI:NL:CRVB:2008:BC3138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- R.C. Stam
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen terugvordering WAO-uitkering wegens arbeidsinkomsten
Appellante was arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering. Na het hervatten van werk met wisselende uren heeft het UWV haar uitkering aangepast op basis van artikel 44 van Pro de WAO, waarbij arbeidsinkomsten werden verrekend. Het UWV besloot later tot terugvordering van te veel betaalde uitkering over de periode 1999-2001, waarbij het bedrag meerdere malen werd verhoogd.
De rechtbank vernietigde deels de besluiten van het UWV en bepaalde dat de uitkering over december 2001 op het oorspronkelijke niveau moest blijven. Het UWV nam daarop een nieuw besluit tot terugvordering van een bedrag van €7.092,34. Dit besluit werd door de rechtbank ongegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak wegens onbevoegdheid van de rechtbank.
De Raad oordeelt dat het UWV het terugvorderingsbedrag van €4.654,38 met formele rechtskracht niet zonder meer mag verhogen tot €7.092,34, mede gelet op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep tegen het besluit van 20 juli 2006 wordt gegrond verklaard, de hogere terugvordering vernietigd en de eerdere besluiten van 15 juli 2004 en 17 maart 2006 herroepen.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht. De toepassing van artikel 44 WAO Pro en de terugvordering van te veel betaalde uitkering blijven centraal in deze zaak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het terugvorderingsbedrag verlaagd en eerdere besluiten herroepen.