ECLI:NL:CRVB:2008:BC3266

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-527 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72, derde lid, AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van rechtbankuitspraak inzake verlaging WAO-uitkering wegens belastbaarheid en geschiktheid functies

Appellante stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden die het beroep tegen het besluit van het UWV gegrond verklaarde en het besluit vernietigde om de WAO-uitkering te verlagen van 80-100% naar 25-35% arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank oordeelde dat het UWV te laat een nadere toelichting gaf over de geschiktheid van de geduide functies, maar achtte deze toelichting wel voldoende en vond geen bewijs dat appellante meer functionele beperkingen had dan aangenomen. De rechtbank liet de rechtsgevolgen van het besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb in stand.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze overwegingen en stelt vast dat de medische beoordeling door verzekeringsarts Wekker en bezwaarverzekeringsarts Egbers zorgvuldig en adequaat gemotiveerd is, waarbij rekening is gehouden met de psychische aandoening van appellante en haar werkcapaciteit van circa vier uur per dag.

Appellante heeft haar bezwaren in hoger beroep onvoldoende onderbouwd. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en leest mee dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de verlaging van de WAO-uitkering terecht is vastgesteld en laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand.

Uitspraak

06/527 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 december 2005, 05/241 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 14 december 2007. Beide partijen zijn, zoals tevoren was aangekondigd, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 22 december 2004 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Bij besluit van 25 januari 2005 heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard, dit besluit (het bestreden besluit) vernietigd en bepaald dat het Uwv het griffierecht aan appellante dient te vergoeden. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv te laat, namelijk eerst in de beroepfase, een nadere toelichting heeft gegeven omtrent de geschiktheid van de geduide functies. De rechtbank heeft deze toelichting wel voldoende geacht. Aangezien haar voorts niet was gebleken dat appellante op de datum in geding meer functionele beperkingen had dan is aangenomen en zij de geduide functies geschikt achtte voor appellante, heeft de rechtbank overwogen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand zullen worden gelaten.
Het hoger beroep van appellante richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat zij op de datum in geding meer functionele beperkingen had dan door het Uwv is aangenomen. Appellante plaatst vraagtekens bij de medische grondslag van het bestreden besluit in verband met de psychische aandoening waaraan zij lijdt.
De Raad is van oordeel dat de rechtbank zich op grond van de aan haar ter beschikking staande gegevens terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante op de datum in geding, gelet op haar medische aandoening, in staat was de haar door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen. De Raad onderschrijft ook de overwegingen in de aangevallen uitspraak. Daartoe neemt hij in aanmerking dat de verzekeringsarts Wekker diverse beperkingen heeft aangenomen wat betreft het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante, dat zij tevens heeft aanvaard dat appellante niet meer dan gemiddeld ongeveer vier uur per dag kan werken en dat zij tot deze bevindingen is gekomen na eigen onderzoek alsook het inwinnen van inlichtingen bij de psychotherapeute bij wie appellante onder behandeling was. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts Egbers op basis van het medisch dossier en het horen van appellante tijdens de - door hem bijgewoonde - hoorzitting adequaat gemotiveerd waarom ook hij tot de conclusie komt dat de belastbaarheid op juiste en zorgvuldige wijze is vastgesteld alsook waarom deze tot een verlaging van de mate van arbeids-ongeschiktheid dient te leiden. In beroep en in hoger beroep heeft appellante de vraagtekens die zij daarbij plaatst niet onderbouwd.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad merkt hierbij nog op dat daarbij is nagelaten te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Nu echter uit de overwegingen van de rechtbank helder naar voren komt dat dit de bedoeling van de rechtbank is geweest, en hierover kennelijk bij partijen geen misverstand bestaat, leest de Raad de aangevallen uitspraak aldus, dat de rechtbank tevens heeft beslist de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2008.
(get.) M. Lochs.
(get.) J.W. Schuttel.
HS