ECLI:NL:CRVB:2008:BC3541

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-890 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na beoordeling psychische en fysieke beperkingen

Appellant, voormalig champignonplukker en invalkracht in een grillroom, werd op 18 september 2000 arbeidsongeschikt wegens psychische klachten en ontving vanaf 18 september 2001 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%.

Op verzoek van de verzekeringsarts werd appellant psychiatrisch onderzocht door psychiater Tilanus, die concludeerde dat er geen psychiatrisch syndroom aanwezig was en appellant niet psychiatrisch beperkt was in het verrichten van arbeid. Desondanks werden lichte psychische en fysieke beperkingen opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis daarvan selecteerde een arbeidsdeskundige functies die appellant nog kon vervullen, waarbij geen relevant verlies aan verdiencapaciteit werd vastgesteld.

Het UWV trok daarop de WAO-uitkering per 2 februari 2004 in. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank vernietigde het besluit wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Het hoger beroep richtte zich tegen deze instandhouding.

De Raad oordeelt dat het UWV de beperkingen niet heeft onderschat en dat de conclusies van psychiater Tilanus overtuigend zijn onderbouwd. Medische informatie van appellant en zijn huisarts bood onvoldoende grond voor twijfel. De psychische beperkingen in de FML zijn passend, en de geselecteerde functies zijn uitvoerbaar voor appellant. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

06/890 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 december 2005, 04/2635 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.J.C. Asselbergs, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde raadsman. Verweerder is met bericht niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant heeft gewerkt als champignonplukker en als invalkracht bij een grillroom. Hij is op 18 september 2000 met psychische klachten arbeidsongeschikt geworden en ontvangt vanaf 18 september 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend maar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op verzoek van de verzekeringsarts J. Wesseling heeft de psychiater J.D.J. Tilanus appellant onderzocht, en van zijn onderzoek bij rapport van 27 mei 2003 verslag gedaan. Tilanus is van mening dat bij appellant geen sprake is van een psychiatrisch syndroom en dat hij in psychiatrische zin niet beperkt is tot het verrichten van arbeid. De verzekeringsarts Wesseling heeft desondanks enkele lichte psychische arbeidsbeperkingen voor appellant opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), alsmede enkele lichte fysieke beperkingen. De arbeidsdeskundige T. Spierings heeft vervolgens een aantal functies geselecteerd die appellant met diens beperkingen nog kan vervullen. Gelet op de aan die functies verbonden loonwaarde is geen sprake van een (relevant) verlies aan verdiencapaciteit. Bij besluit van 2 december 2003 is de WAO-uitkering van appellant daarop ingetrokken per 2 februari 2004. De bezwaren van appellant tegen deze beslissing zijn door het Uwv bij het besluit van 29 juli 2004 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit. Omdat het besluit naar het oordeel van de rechtbank pas in beroep van een voldoende arbeidskundige onderbouwing is voorzien, heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand gelaten, met veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en met bepaling dat het griffierecht aan appellant dient te worden vergoed.
Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de instandlating door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Appellant is van mening dat zijn psychische beperkingen door het Uwv zijn onderschat en meent dat de door de psychiater Tilanus getrokken conclusies onjuist zijn. Appellant acht zich hierbij gesteund door de hem behandelende artsen.
De Raad overweegt als volgt.
Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de arbeidsbeperkingen van appellant door het Uwv zijn onderschat. Het Uwv heeft de inschatting van de beperkingen van appellant onder meer gebaseerd op het rapport van de psychiater Tilanus. Naar het oordeel van de Raad volgen de conclusies van Tilanus voldoende overtuigend uit het verslag van het uitgebreide onderzoek en uit de analyse van de onderzoeksresultaten. Van de zijde van appellant is bovendien geen medische informatie overgelegd die aan de conclusies van Tilanus doet twijfelen. Ook de tijdens de hoorzitting in bezwaar ingebrachte brief d.d. 30 januari 2004 van de huisarts van appellant biedt daarvoor onvoldoende grond. Bovendien zijn voor appellant enkele psychische beperkingen in de FML opgenomen, hoewel dat volgens Tilanus niet nodig is. De Raad kan zich dan ook verenigen met de door het Uwv voor appellant in de FML opgenomen beperkingen, zoals die nog door de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie blijkens zijn rapport van 12 april 2004, in de bezwaarfase nader zijn aangevuld.
De Raad ziet voorts geen reden om de belasting van de voor appellant geselecteerde functies voor hem te zwaar te achten. Gelet op hetgeen daaromtrent door de bezwaararbeidsdeskundigen A.P.L. van Beek en W.W.M. Strijbos in hun rapporten van 27 juli 2004 en 27 juni 2005 is gemotiveerd, kunnen de betreffende functies door appellant worden uitgeoefend.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
Voor een vergoeding van proceskosten op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter, en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2008.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) W.R. de Vries.
GdJ