ECLI:NL:CRVB:2008:BC3542

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-893 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens ontbreken causaal verband met vernietigd WAO-besluit

Appellant kreeg een gedeeltelijke WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%. Na beroep werd dit besluit vernietigd en een nieuw besluit genomen waarbij appellant een hogere uitkering (80 tot 100%) kreeg toegekend. Appellant vorderde schadevergoeding voor investeringen in een eigen bedrijf die hij had gedaan vanwege de aanvankelijke lagere uitkering.

De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af omdat de gestelde schade niet in voldoende causaal verband stond met het vernietigde besluit. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze afwijzing in hoger beroep. De Raad overweegt dat het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht leidend is voor de beoordeling van dergelijke verzoeken en dat de schade als gevolg van het bestuursorgaan moet kunnen worden toegerekend.

De keuze van appellant om bezittingen te verkopen en te investeren in een eigen bedrijf wordt gezien als een eigen beslissing en niet als een redelijkerwijs aan het Uwv toe te rekenen gevolg van het vernietigde besluit. Daarom bestaat geen grond voor vergoeding van de door appellant gestelde schade. Ook een vergoeding van proceskosten wordt afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens het ontbreken van een causaal verband tussen het vernietigde besluit en de gestelde schade.

Uitspraak

06/893 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 januari 2006, 05/318 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 16 december 2004 heeft het Uwv het besluit van 6 mei 2004 gehandhaafd, waarbij aan appellant met ingang van 23 februari 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 december 2004.
Het Uwv heeft vervolgens een nieuw besluit d.d. 14 november 2005 genomen, waarbij de bezwaren van appellant gegrond zijn verklaard en aan hem per 23 februari 2004 een WAO-uitkering is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
80 tot 100%.
Bij brief van 17 november 2005 heeft appellant zijn vordering nader toegelicht. Hij is weliswaar met het nadere besluit in het gelijk gesteld, maar omdat hij werkloosheid en een ontoereikende uitkering in het vooruitzicht had, heeft hij al zijn bezittingen verkocht en/of verpand om een eigen bedrijf, de stichting [naam stichting], op te zetten en rendabel te maken. Appellant vordert onder meer dat het Uwv hem voor deze kosten geheel schadeloos stelt.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 december 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het beroep tegen het besluit van 14 november 2005 niet-ontvankelijk verklaard met bepaling dat aan appellant het betaalde griffierecht moet worden vergoed. Het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Hieromtrent heeft de rechtbank overwogen dat de gestelde schade niet in een zodanig verband staat tot het vernietigde besluit d.d. 16 december 2004, dat deze als een aan het Uwv toe te rekenen gevolg van dat besluit kan worden gezien.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank om zijn verzoek om schadevergoeding af te wijzen.
De Raad stelt vast dat het geschil in hoger beroep tussen partijen beperkt is tot de afwijzing door de rechtbank van de vordering van appellant tot vergoeding van de door hem gemaakte kosten, die verband houden met de investeringen die hij heeft gedaan ten behoeve van de oprichting en het rendabel maken van zijn nieuwe bedrijf [naam stichting].
Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt het noodzakelijke causale verband tussen het vernietigde besluit van 16 december 2004 en de gestelde schade.
Zoals de Raad al vaker heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 21 juni 2005, LJN: AT9093, moet bij de beoordeling van een verzoek om veroordeling tot vergoeding van gestelde geleden schade als gevolg van een vernietigd besluit zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Dit betekent onder meer dat wil een verzoek om schadevergoeding voor inwilliging in aanmerking komen, de gestelde schade in zodanig verband moet staan met het vernietigde besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dit besluit kan worden toegerekend. Bij de beoordeling of toegerekend moet worden acht de Raad ook de aard en de strekking van het vernietigde besluit een relevante factor.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit zogenoemde causale verband in dit geval ontbreekt. Dat appellant na de gedeeltelijke toekenning van een WAO-uitkering ervoor heeft gekozen om zijn bezittingen te verkopen of te verpanden en te investeren in een eigen bedrijf, is zijn keuze geweest, en kan niet als het in redelijkheid aan het Uwv toe te rekenen gevolg van het niet toekennen van een volledige WAO-uitkering worden aangemerkt.
De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
Voor een vergoeding van proceskosten op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter, en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2008.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) W.R. de Vries.
GdJ