ECLI:NL:CRVB:2008:BC3717

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2344 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:9 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na medische herbeoordeling zonder nieuw feit

Appellante was werkzaam als afdelingsassistente toen zij uitviel met gezondheidsklachten en een WAO-uitkering kreeg toegekend. Na een medische herbeoordeling door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige werd zij geschikt bevonden voor haar eigen werk, waarna het UWV de uitkering introk.

Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij niet in staat was de door het UWV genoemde functies te verrichten en dat zij niet kon reageren op een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep onderschreef deze overwegingen.

De Raad overwoog dat het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige geen nieuw feit of omstandigheid vormt die een nieuw gehoor rechtvaardigt. Er was geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. De intrekking van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat geen nieuw feit of omstandigheid is vastgesteld die een hernieuwd horen rechtvaardigt.

Uitspraak

06/2344 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2006, 05/2960 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H. van der Wal, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van der Wal. Het Uwv heeft zich, met bericht van verhindering, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Appellante was werkzaam als afdelingsassistente in een verpleeghuis voor 36 uur per week toen zij op 22 september 1999 uitviel met evenwichtsstoornissen en vermoeidheidsklachten. Met ingang van 20 september 2000 is aan appellante, nadat een eerder terzake genomen besluit door de rechtbank Rotterdam bij uitspraak van 4 september 2003 was vernietigd, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is appellante op 2 december 2003 onderzocht door de verzekeringsarts P.C.R. Menco. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige M. Vermeulen appellante blijkens zijn rapportage van 17 september 2004 geschikt geacht voor haar eigen (maatgevende) werk als afdelingsassistente in een verpleeghuis, waarna het Uwv bij besluit van 19 november 2004 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 30 november 2004 heeft ingetrokken.
De bezwaarverzekeringsarts S.R. Hofman heeft in haar rapport van 9 juni 2005 de bevindingen van verzekeringarts Menco onderschreven, waarna het Uwv het bezwaar van appellante bij besluit van 8 juli 2005 (bestreden besluit) ongegrond heeft verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd, geen reden is om de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, in twijfel te trekken en dat van de zijde van appellante geen medische gegevens zijn overgelegd die een ander licht werpen op de zaak en op grond waarvan het Uwv tot een andersluidend oordeel had moeten komen. Ten aanzien van de grief van appellante dat zij niet kan terugkeren bij haar eigen werkgever, heeft de rechtbank geoordeeld dat appelantes maatgevende arbeid geen zodanig specialistische functie betreft dat soortgelijk werk met een zelfde belasting en beloning bij een andere werkgever niet of nauwelijks voorhanden is.
In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij niet in staat is de door het Uwv geduide functies te verrichten en dat zij niet heeft kunnen reageren op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J.R. Henninger van 7 juli 2005 die deze naar aanleiding van appelantes aanvullende bezwaargronden van 5 juli 2005 heeft opgesteld.
De Raad volgt appellantes standpunt niet. De Raad onderschrijft de door de rechtbank gehanteerde overwegingen en maakt deze tot de zijne.
Met betrekking tot de grief van appellante dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Henninger overweegt de Raad dat volgens vaste jurisprudentie de advisering als geschied in een nader rapport van een bezwaararbeidsdeskundige als zodanig niet een nieuw feit of nieuwe omstandigheid oplevert als bedoeld in artikel 7:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Wel kan een dergelijk rapport nieuwe feiten of omstandigheden bevatten, die aanleiding geven om de betrokkene nogmaals te horen. In dit geval is daarvan niet gebleken.
Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb heeft de Raad geen aanleiding gezien.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P. van der Wal.
HS