ECLI:NL:CRVB:2008:BC3871
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag periodieke uitkering op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad tot afwijzing van haar aanvraag voor een periodieke uitkering als weduwe van betrokkene op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.
Betrokkene was KNIL-militair en raakte gewond in 1949, maar de Wet heeft alleen betrekking op vervolging tijdens de oorlogsjaren 1940-1945. Uit het Voorlopig Stamboek blijkt dat betrokkene pas in 1947 tot het KNIL is toegetreden, waardoor niet is komen vast te staan dat hij vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
De Raad overweegt dat de Wet alleen uitkeringen toekent aan personen die tijdens de Japanse bezetting vervolging hebben ondergaan zoals omschreven in artikel 2 van Pro de Wet. Omdat dit niet is aangetoond, kan appellante geen aanspraak maken op een uitkering. Ook een compensatie voor verleende diensten aan het Koninkrijk is niet voorzien in de Wet.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet is aangetoond dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.