ECLI:NL:CRVB:2008:BC3950
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering herziening WW-dagloon met terugwerkende kracht door UWV
Appellant, werkzaam in de bouwnijverheid, ontving een WW-uitkering met een vastgesteld dagloon dat later bleek te zijn gebaseerd op een onjuiste berekening vanwege het niet meenemen van de vroegpensioenpremie. Het UWV heeft vanaf december 2004 haar werkinstructies aangepast en besloten alleen herzieningen te honoreren voor nog lopende uitkeringen vanaf het moment van het verzoek, niet met terugwerkende kracht.
Appellant verzocht om herziening van het dagloon met terugwerkende kracht, wat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden een herziening van het besluit over het verleden niet rechtvaardigt.
De Raad oordeelt dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden, omdat het UWV niet in een zodanig groot aantal gevallen met terugwerkende kracht heeft herzien en de gevallen niet vergelijkbaar zijn. Ook het beroep op anti-discriminatiebepalingen faalt. De Raad concludeert dat het UWV een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt en bevestigt de eerdere uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het UWV om het WW-dagloon met terugwerkende kracht te verhogen wordt bevestigd.