ECLI:NL:CRVB:2008:BC4517

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5983 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij arbeidsongeschiktheidsbesluit

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake een arbeidsongeschiktheidsbesluit van het UWV. Het UWV heeft vervolgens bij besluit van 17 december 2007 tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant door hem ongewijzigd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt te achten met ingang van 25 oktober 2004.

Hierdoor is het belang van appellant bij een beoordeling van het eerdere besluit van 11 augustus 2005 komen te vervallen, omdat het nieuwe besluit in zijn voordeel is. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang.

De Raad oordeelt verder over de proceskosten: hoewel de rechtbank al eerder over proceskosten had beslist, worden de in hoger beroep gemaakte kosten van appellant redelijk geacht en veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van €644,- aan appellant. Tevens wordt het betaalde griffierecht van €103,- aan appellant vergoed.

De Raad bepaalt dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en spreekt de uitspraak uit op 13 februari 2008.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

05/5983 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant]
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2005, 05/1031 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.E. Borgman, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 17 december 2007 een vraag van de Raad beantwoord. Daarbij heeft het Uwv voorts een besluit van 17 december 2007 overgelegd, waarbij volledig tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van appellant, gericht tegen de beslissing van 11 augustus 2005.
Bij brief van 19 december 2007 heeft mr. H.E. Borgman de Raad verzocht het Uwv in de proceskosten te veroordelen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Nu het Uwv bij besluit van 17 december 2007 te kennen heeft gegeven appellant met ingang van 25 oktober 2004 ongewijzigd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt te achten is in principe het belang bij een beoordeling van het besluit van 11 augustus 2005 komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet Bestuursrecht. Nu van een dergelijk procesbelang niet is gebleken, dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Aangezien de rechtbank bij de aangevallen uitspraak reeds ten aanzien van de proceskosten in verband met de procedure in beroep heeft beslist, staan thans slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op
€ 644,- voor verleende rechtsbijstand.
Met betrekking tot de door appellant gevorderde vergoeding van de eigen bijdrage uit hoofde van de verleende toevoeging overweegt de Raad dat in een bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht een limitatieve opsomming is gegeven van proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden gegeven en dat in vergoeding van de in verband met een afgegeven toevoeging te betalen bijdrage daarbij niet is voorzien.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellant tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier, uitgesproken in het openbaar op
13 februari 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.