ECLI:NL:CRVB:2008:BC4731
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.W.J. Schoor
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering wegens op geld waardeerbare werkzaamheden
Appellante ontvangt sinds 1976 een WAO-uitkering en een toeslag uit hoofde van de Toeslagenwet. Naar aanleiding van anonieme meldingen startte het UWV een fraudeonderzoek waaruit bleek dat appellante gedurende de periode van 1 maart 1999 tot 1 november 2002 gemiddeld 21 uur per week werkzaamheden verrichtte die op geld waardeerbaar waren.
Het UWV besloot daarop de WAO-uitkering te verlagen en de toeslag in te trekken, alsmede onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij slechts therapeutisch aanwezig was bij de marktkraam van haar partner en dat het UWV ten onrechte heeft aangenomen dat zij op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep geen doel treft. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat appellante daadwerkelijk op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht zonder dit aan het UWV te melden. Het beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkering bevestigd.