ECLI:NL:CRVB:2008:BC4770
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit WAO-uitkering met instandhouding rechtsgevolgen na nadere motivering
Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het UWV om hem met ingang van 29 oktober 2002 een WAO-uitkering toe te kennen op basis van een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde voor zijn stelling dat hij meer beperkingen had, onder meer door het ontbreken van medische stukken over het dragen van een gipscorset.
In hoger beroep stelde appellant dat het gipscorset al op de relevante datum bestond, maar de Raad stelde vast dat het corset pas na die datum was aangemeten. De Raad vond het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en het medisch oordeel deugdelijk onderbouwd. De bezwaarverzekeringsarts had geen reden om de Functionele Mogelijkheden Lijst aan te passen.
De Raad stelde vast dat de drie functies waarop de schatting was gebaseerd binnen de beperkingen van appellant vielen. Naar aanleiding van het CBBS-systeem was in hoger beroep een nadere motivering gegeven die aan de hogere eisen voldeed. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand conform artikel 8:72, derde lid, Awb. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.